Allerheiligen - 2020

Zusters en broeders,

‘Hou bovenal van God en hou evenveel van je naaste als van jezelf.’ Dat is het gebod dat Jezus ons vorige zondag meegaf, een gebod dat de grondslag is van ons geloof en van het christendom. De acht zaligsprekingen die Hij daar vandaag aan toevoegt, zijn toepassingen van dat gebod in ons dagelijks leven. Als we leven volgens die zaligsprekingen, leven we dus volgens Jezus’ enige gebod.  

Dat is trouwens ook zo als we leven volgens de tien geboden. Je kent ze wel: ‘Bovenal bemin één God. Zweer niet ijdel, vloek noch spot. Heilig steeds de dag des Heren enzovoort. Zo hebben we het geleerd in onze kindertijd, en er is niets aan veranderd. Het zijn stuk voor stuk toepassingen in het dagelijks leven van Jezus’ enige gebod, en ze leiden allemaal tot wat Jezus in de eerste zaligspreking beklemtoont: ‘Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen.’

En armen van geest zijn geen mensen die zo minbegaafd zijn dat ze niet voor zichzelf kunnen zorgen, en zeker geen mensen die zichzelf geweldig vinden en uitzonderlijk knap op alle gebieden en in alle omstandigheden. Nee, zo zijn armen van geest niet. Integendeel, het zijn mensen die zichzelf niet op een piëdestal plaatsen, die niet uit zijn op macht en  bewondering, niet op de eerste plaats willen staan en zuiver van hart zijn. Zachtmoedige mensen die tijd hebben voor anderen en die in hun omgang met hun medemensen liefde, vrede, troost, geduld en barmhartigheid kennen. Aan zulke mensen behoort het Rijk der hemelen, zegt Jezus, en daarmee bedoelt Hij niet dat ze sowieso in de hemel zullen terechtkomen,  maar wel dat ze liefdevol meebouwen aan  het Koninkrijk van God, het Rijk van liefde, vrede en gerechtigheid dat van de aarde een droomwereld maakt. Zonder zulke mensen, zonder zulke armen van geest kan dat Koninkrijk niet tot stand komen. Daaraan meebouwen doen ook wij als we arm van geest zijn, als we dus leven naar Jezus’ enige gebod en naar zijn zaligsprekingen. Dan maken we van de wereld een hemel op aarde.

Het is vandaag Allerheiligen, en misschien zijn we er ons niet echt van bewust, maar elke keer als we ons geloof belijden, zeggen we: ‘Ik geloof in de gemeenschap van de heiligen.’ Wel, die gemeenschap van de heiligen vieren we vandaag. En waar we ons wellicht nog minder van bewust zijn, is dat ook wij tot die gemeenschap behoren als we leven naar Jezus’ enige gebod en naar zijn zaligsprekingen. Op drie oktober publiceerde paus Franciscus trouwens een encycliek die daar helemaal bij aansluit. De titel is Fratelli tutti’, dus: allen zijn we broers, zonder grenzen, zonder kleuren, zonder uitzondering. Laten we dus zo leven: als broers en zussen. Als mensen die elkaar niet tegenwerken, niet uitstoten, niet minachten, en meer van die dingen die elke relatie kapotmaken, maar als mensen die openstaan voor elkaar, die alles doen voor elkaar, die evenveel van elkaar houden als van onszelf. Hoe zou de wereld er uitzien als een hemel op aarde als wij en alle mensen daar zouden naar streven.

Zusters en broeders, in de eerste lezing voert de evangelist Johannes ons binnen in een wereld die we ons niet kunnen voorstellen. Een wereld met vier engelen die de macht hebben om de aarde te vernietigen, dienstknechten van God met een zegel op het voorhoofd, vier dieren die samen met de engelen en de oudsten God aanbidden …nee, het is niet direct onze wereld, en ook niet ons beeld van de hemel. Waarschijnlijk is het ook niet de bedoeling van de auteur dat we het zo zouden zien. Wat wel zijn bedoeling is, is dat wij er zouden naar streven te horen bij de grote menigte die niemand kan tellen, uit alle rassen en stammen, volken en talen die Gods lof zingen. En wie zijn die mensen? Dat zijn mensen die Jezus gevolgd zijn in woord en in daad. Mensen die geleefd hebben naar zijn enige gebod. Mensen die broers en zussen zijn van en voor elkaar. Dat zijn alle heiligen die wij vandaag gedenken. Laten wij zo leven dat ook wij tot die ontelbare menigte behoren. Amen.