Het feest van de barmhartigen

Wij pelgrimeren samen met de 144.000 en de grote menigte die niemand tellen kan. God is de bron van alle heiligheid. Wij danken Hem op dit oogstfeest van zijn kerk voor al wie de Bergrede als richtsnoer neemt en leeft als kind van God.

Wij hebben dit jubeljaar gepelgrimeerd met de vele die zich hebben laten grijpen door de barmhartigheid, het thema van dit heilig jaar. In de zaligsprekingen volgens de versie van Matheus prijst Jezus de barmhartigen gelukkig. Hij zegt dat wie barmhartig is en barmhartig handelt, barmhartigheid zal ondervinden. Op een eerste zicht is dit laatste niet zo zeker. Goed wordt niet altijd met goed beloond. “Doe goed opdat je kwaad zou geschieden”, zei een man op grond van slechte ervaringen.

Toch is het omdat wij goedheid en barmhartigheid hebben ervaren, dat wij barmhartig kunnen zijn. Goedheid en barmhartigheid gaan van God uit.  Zalig zijn  we omdat God ons barmhartigheid heeft betoond en blijft betonen. Hij is de bron van heiligheid én barmhartigheid.

Vanuit Gods barmhartigheid

In een bezinning, aangeboden door de Gemeenschap  van Taizé, schrijven de opstellers over de belofte van Jezus: “Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden” (Mt. 5,7):

“Jezus’ belofte aan de barmhartigen omvat niets anders dan de barmhartigheid zelf, van waaruit ze al leven. In alle andere zaligsprekingen bevat de belofte een ‘meer’. Zij leidt verder: de treurenden zullen getroost worden; wie zuiver van hart zijn, zullen God zien. Maar wat zou God nog méér kunnen geven aan degenen die barmhartig zijn? Barmhartigheid is de volheid van God en mensen. Wie barmhartig zijn, leven Gods eigen leven al.

De barmhartigheid is het meest goddelijke van God. En het meest vervulde in een mens. “Hij kroont u met barmhartigheid en tedere liefde,” zegt Psalm 103. Dit vers moet gelezen worden in het licht van een vers uit Psalm 8, waar gezegd wordt dat God de mens kroont “met glans en glorie”. Geschapen naar zijn beeld, zijn de mensen geroepen om deel te hebben aan de glans en glorie van God. Maar het zijn de barmhartigheid en tedere liefde die ons werkelijk doen delen in Gods eigen leven.

Jezus’ woorden: “Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is” (Lucas 6,36), zijn een echo van het oude gebod: “Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God, ben heilig” (Leviticus 19,2). Jezus geeft hiermee aan de heiligheid het gezicht van barmhartigheid. God wordt het meest zuiver in een mensenleven weerspiegelt in de barmhartigheid. “Door de barmhartigheid jegens je naaste gelijk je op God” (Basileüs de Grote). De barmhartigheid is de menselijkheid van God. En ze is de goddelijke toekomst van de mens.”

Broeder Roger Schutz (1915-2005) schreef een eenvoudige leefregel. Bij de heruitgave ervan liet hij het woord ‘regel’ achterwege en sprak hij over de ‘bronnen’, waaruit zijn gemeenschap al bijna tachtig jaar put. “Doordring je van de geest van de zaligsprekingen: vreugde, eenvoud, barmhartigheid.”

Vanuit de Bergrede

Allerheiligen draagt het label van de evangelische kwaliteit. De zorg voor kwaliteit, waar bedrijven graag mee uitpakken, uit zich bij christenen in het geschenk van de heiligheid. Ze bevordert gerechtigheid en barmhartigheid.

Heiligheid is niet erfelijk. Niemand wordt als christen geboren. Niemand komt als heilige ter wereld. Pater Bob stelde in een groep de oratorische vraag: “Hoe zouden we gelovig geworden zijn, zo onze ouders niet heilig waren geweest?” Ouders hebben toch dikwijls hun kinderen op weg gezet om barmhartig te zijn en om  kleine daden van barmhartigheid te stellen. Allerheiligen is het feest  van alle barmhartigen. Zij hebben geproefd van de Bergrede. Heiligen leefden vanuit Gods barmhartigheid. Zij hebben barmhartigheid getoond wanneer zij aan medemensen vergiffenis hebben geschonken en wanneer zij voor hun vervolgers hebben gebeden? Een aantal heiligen waren als reuzen om werken van barmhartigheid tot stand te brengen. Maar Jezus had eveneens oog voor vele kleine daden van goedheid. Hij waardeerde de beker fris water gegeven aan een van de kleine. De Mensenzoon looft mannen en vrouwen, om wat zij gedaan hebben voor de geringsten van zijn broeders en zusters.  Wat Jezus volgens Matteüs zegt bij het laatste oordeel (Mt. 25,40) is een aanvulling op de zaligsprekingen uit de Bergrede.

De zaligsprekingen zijn een onderdeel van de Bergrede in het evangelie van Matteüs.  De Bergrede is een ‘ongehoorde’ tekst. Zo betitelt Peter Schmidt zijn bij het Davidsfonds uitgegeven boek. Ongehoord, in een dubbele betekenis. Het staat voor wat toehoorders tot dan toe niet gehoord hadden en voor een boodschap die ongewoon is. Zo ongehoord dat wij er niet mogen over zwijgen. De Bergrede is een utopie, omdat zij gedragen wordt door een bijna roekeloze hoop. Het trouwende paar dat elkaar utopieën toefluistert, weet op het moment zelf dat het niet allemaal zo is, noch zijn zal. Dat maakt hun woorden niet minder essentieel. Hun utopie van liefde is voedsel voor de lange tocht” (Ongehoord, p. 11). Hoe arm zijn we zonder dromen en verwachtingen! Utopie is wat nog niet is en waarvan we hopen dat het zal komen, al zullen we het wellicht nooit zien.

De Bergrede zegt niet hoe de hemel er uitziet, maar verkondigt dat God ons nu al nabij is. “De Bergrede gaat niet over de hemel of het paradijs, maar over het koninkrijk der hemelen, en het koninkrijk der hemelen gaat over hier en nu” (Ibid., p. 45).

Zaligsprekingen tonen wegen tot het geluk. “Jezus feliciteert, maar zegt meteen: doe jij  evenzo” (Ibid., p. 67). Zij doen ons groeien en tillen ons op.

Gericht op Jezus

Achter de Bergrede staat de figuur van Christus, de mens die God is, maar juist daarom afdaalt, zich ontledigt, tot aan de dood op het kruis. De heiligen, zoals Paulus en Franciscus van Assisi tot Moeder Teresa hebben deze keuze in hun leven tot werkelijkheid gemaakt. Ze hebben daardoor laten zien waarin het ware geluk van de mens ligt. Samengevat: de ware ‘moraal’ van het christendom is de liefde. Die is weliswaar tegengesteld aan zelfzucht – liefde is wegtrekken uit jezelf – maar juist langs die weg wordt de mens wie hij in wezen is. Tegenover het verleidelijk glanzende mensbeeld van Nietzsche komt deze weg ons aanvankelijk als armzalig voor, je kunt het eigenlijk van niemand verwachten. Maar hij is de hoogste vorm van leven. De weg van de liefde, beschreven in de Bergrede, is de enige weg waarlangs zichtbaar wordt waarin de rijkdom van het leven bestaat en hoe hoog en edel de roeping is van de mens” (J. Ratzinger, Jezusboek, p. 110-111).

Arm tegenover God

Wij glijden gemakkelijk over de eerste zaligspreking heen: “Gelukkig die zich arm weten.” Deze zaligspreking is de eerste en meteen de voornaamste. Ze omvat al de andere. Zij geeft de grondhouding aan die een leerling van Jezus kenmerkt. Hij verlangt dat wij onze armoede erkennen, deze van onze geschapen afhankelijkheid tegenover God.

Wie alles gekregen heeft is arm. Ten overstaan van God bezitten we niets, zijn we fundamenteel en radicaal armen. Hoe rijk de wereld en het leven zich ook voor ons ontplooien, al ons zijn en hebben en doen blijft van de orde van de gave. God is onze God. Niets van alles wat wij (menen te) bezitten kan zijn plaats innemen. Dat te beseffen, zich daarvan bewust te zijn en van daaruit te willen leven – dààr is de plaats waar de eigenlijke armoede van geest en hart begint. Daar wordt onze armoede tot onze grootste rijkdom. Deze eerste zaligspreking betekent niet dat een mens geroepen zou worden tot allerlei vormen van verkapte zelfverminking, integendeel. We kunnen alles wat onze humaniteit verrijkt ten volle gebruiken, als het maar gepaard gaat met het bewustzijn van onze creatuurlijke armoede” (P. Schmidt, o.c., p. 78).

De zaligsprekingen zijn geen misprijzen voor de wereld. Zij zeggen dat wij geen grijpers mogen zijn, maar mensen die dankbaar ontvangen en die wat we ontvingen kunnen doorgeven en eens loslaten. Het diepe verlangen reikt verder dan alle objecten. God omvat alles. Hij is meer dan het vele waar wij zo vaak aan vasthangen.

Heiligen in oud en nieuw testament zijn mensen die zich niet op hun prestaties beroemen bij God. Zij presenteren zich niet bij God als gelijkgerechtigde zakenpartners die aanspraak maken op een rechtvaardige beloning voor hun diensten. Zij zijn mensen die zich ook innerlijk arm weten, mensen die liefhebben, die in alle eenvoud Gods liefde over zich laten komen en leven in innerlijke overeenstemming met wie God is en wat God zegt. De heilige Theresia van Lisieux zei dat zij ooit met lege handen voor God zou staan en God haar open handen aan zou bieden. Dat is een goede beschrijving van de geest waarin deze armen van God leven; zij komen met lege handen, niet met handen die grijpen en vasthouden, maar met handen die opengaan en weggeven, en gereed zijn voor wat God in zijn goedheid geven wil” (J. Ratzinger, o.c. p. 91).

The kingdom of God is justice and peace and joy in the holy Spirit. Come, Lord, and open in us the gates of your kingdom (Taizé-lied).