Petrus en Paulus (2014)

We gaan naar Rome!!!  Dat zong Willy Derby al in 1934, ver voor mijn tijd, voor de wereldkampioenschappen voetbal van toen en de hele natie zong het mee. André van Duin zong het opnieuw in 1990. Beide kampioenschappen liepen op een teleurstelling uit. Nederland kwam er niet aan te pas. Nu gaat het een stuk beter, ook al is het niet in Rome. Toch gaan we weer naar Rome toe. O jee, zult u denken. Alweer voetbal en ook al hier?

Nee het gaat niet over voetbal. We gaan op bedevaart, op pelgrimstocht. Met de kerk, met het eigen bisdom, met de parochie. We gaan het graf van Petrus bezoeken. En boven dat graf toornt majestueus de St. Pietersbasiliek uit, de hoofdkerk van ons katholicisme. U kunt daarin uren ronddwalen, zoals u trouwens dagenlang kunt zwerven in de mooiste stad die ik ken: Rome.  Het zal dus geen teleurstelling worden, op voorwaarde dat u goed ter been bent. U gaat op zoek naar Petrus. Een rots die steun en vertrouwen geeft. Een rots die staat als een huis. Een rots in de branding. Een rots waarop je bouwen kunt. De kerk heeft zulke rotsen nodig, dringend nodig. Ik vind paus Franciscus een dergelijke rots. De kerk krijgt door hem een steviger fundament en dat is wel nodig na zoveel tegenslag en ellende als misbruik, leegloop, kerksluitingen, kerkverlatingen en priestertekort.

Wij allen zijn katholiek. Soms zeggen we daarbij dat we praktiserend katholiek zijn. De vertaling daarvan is dan dat we op zondag naar de kerk gaan en bidden. Dat is mooi en moeten we zeker blijven doen. Maar het is niet genoeg. Praktiseren betekent iets anders. Het betekent, letterlijk vertaald: in de praktijk brengen. Dus, doen wat je gelooft, in de praktijk brengen wat je belijdt.

Het is mijn stellige overtuiging dat de uitoefening van ons geloof zich niet mag beperken tot een verticale lijn van God naar mij en van mij naar God, maar dat God daarnaast van ons een horizontale lijn verlangt. Van mens tot mens. Van mens tot medemens. En niet alleen tussen mensen onderling, maar ook tussen mensen en instituten. De kerk en de staat. De kerk moet een vaste rots zijn voor de mensen. De staat al evenzeer. En o jee, wat schieten deze beide hierin tekort. Kerk en staat zijn allang niet meer die vaste waarden waarop we kunnen bouwen. En waar zij tekort schieten, waar zij het af laten weten, zullen wij mensen moeten aanvullen, zodat ouderen, zieken, vluchtelingen, misbruikten, illegalen en verschoppelingen zich geborgd weten. Het is nog erger. De kerk en de staat zijn wijzelf. Dus waar de instituten falen, falen wijzelf. Als de uitkeringen omhoog moeten, moeten wij dat via de politiek zien te bereiken. Als de kerk het af laat weten, zullen wij met de kerk nieuwe wegen moeten inslaan.

Er zou een rechtssysteem moeten zijn, dat de mensen beschermt. Dat mensen recht geeft op ziekenzorg en ouderenzorg, dat recht geeft op toegang tot de rechtshulp en andere vormen van steun. Daarnaast moet er naastenliefde zijn en mantelzorg, want de noden van de wereld zijn heel groot. Wat doen we er zelf aan? Aan de vluchtelingen die dagelijks ongeveer letterlijk aanspoelen op Lampedusa, aan de oorlogsvluchtelingen uit Syrië, aan de wrede stammenstrijden in Afrika, aan de daklozen in deze stad en aan de stille armen om ons heen?

 

De onlangs in Syrië vermoorde Pater Frans van der Lugt was geen goede katholiek omdat hij priester was en bad. Dat is de verticale lijn die hij had met God. Nee, hij was een goede katholiek omdat hij in de praktijk probeerde te brengen wat hij geloofde. Dat is de horizontale lijn naar de medemens. Die horizontale lijn hoort bij die verticale lijn. Hij was een rots in de branding voor de mensen om hem heen, voor christenen én voor moslims in een belegerde en verscheurde stad. Een eigentijdse heilige. Een eigentijdse martelaar. Een praktiserend katholiek.

 “Gij zijt Petrus. En op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen. En de poorten der hel zullen Haar niet overweldigen.” Toch was Petrus maar een gewoon mens, feilbaar en zondig. Weet u nog? Hij viel in slaap toen hij moest waken. Hij ging op de vlucht in de Hof van Olijven. En hij verloochende zijn Heer drie keer vóór de haai kraaide. Zo op het eerste gezicht niet erg fraai, niet erg rotsvast, niet erg heilig.  Petrus, de steenrots. De rots in de branding, de soms kwetsbare rots die al meer dan twee eeuwen de kerk draagt en de stormen van de tijd trotseert. Die kerk zijn wij. Eén lichaam met vele ledematen. Ook al zijn we niet gaaf en niet perfect. Er zijn dus kansen voor ons. Daarvoor hoeven we niet heilig te zijn, geen edelstenen, al waren we maar zwerfkeien.

Willen we een rots zijn voor de ander dan zullen we nog een heleboel aan onszelf en aan de wereld (lees: aan de kerk en aan de staat) moeten veranderen. En we mogen zwak zijn, twijfelen, kwetsbaar zijn en zelfs zondig. Als we maar op tijd, al is het ná het kraaien van de haan, ons bewust zijn van onze katholieke opdracht. Het staat als een paal boven water dat we het anders moeten  aanpakken,  al weet ik soms ook niet hoe.  Iemand hier zei laatst tegen me: “Maar we doen al zo veel”. Nou, dat is mooi maar blijkbaar niet genoeg. We laten dan de boel de boel en draaien onze rug naar de ellende toe. Aan zelfgenoegzaamheid hebben we niets. Het zal anders moeten. We zullen anders moeten stemmen in het stemhokje, ons geld anders moeten besteden, nog meer onze handen uit de mouwen moeten steken bij vrijwilligerswerk en we zullen in actiecomités en buurtcomités moeten gaan zitten. Misschien moeten we wel op bedevaart naar Rome, al betwijfel ik of het helpt om de noden van de wereld op te lossen. Maar baat het niet dan schaadt het niet, zei mijn moeder altijd.

We moeten ons geloof gaan praktiseren. Pas als we praktiserend zijn, zijn we een steenrots waarop gebouwd kan worden, waarop verder gebouwd kan worden, in vertrouwen, de komende eeuwen tegemoet.

Amen