De aanvoerder en voltooier van ons geloof (Hebr. 12, 2)

 

Sporten kan moe maken. Lopen doet hijgen. We willen afhaken. Aan de graskant gaan zitten of liggen.

De schrijver van de Hebreeënbrief gebruikt voorbeelden uit de wereld van de sport. Zoals Paulus in zijn brieven spreekt hij over sportwedstrijden (1 Kor. 9,24-26; Gal. 5,7; Fil. 3,12-14).. Hij weet van vermoeidheid, van voeten die niet mee willen, van handen zonder kracht. Met de profeet Jesaja zegt hij tot zijn lezers: “Geef kracht aan trillende handen, maak knikkende knieën sterk. Zeg tegen het moedeloze volk: Wees sterk en vrees niet.” (Jes. 35,3-4).

De brief aan de Hebreeën wordt gedateerd in het laatste kwart van de eerste eeuw. Wij zijn hiermee in de laatapostolische periode, waarin de christenen geconfronteerd werden met nieuwe ontwikkelingen. “In die periode verdwijnen de oergetuigen van Jezus Christus, de eerste apostelen en christelijke profeten. De fakkel wordt overgereikt aan hun leerlingen en opvolgers.” Rond en na 70 hadden de christenen de tragische scheiding meegemaakt met de joden. “Het was de periode waarin het zwaar getroffen Jodendom moest vechten voor zijn voortbestaan en identiteit, en waarin de farizese rabbijnen de grenzen van hun godsdienst verstrakten. De synagogen werden gesloten voor de afwijkende of als te laks beschouwde groepen, waaronder de christenen gerekend werden” (Peter Schmidt, In vrijheid, trouw en hoop, p. 194). Daarbij dreigen de eerste georganiseerde vervolgingen. De wederkomst van de Heer, waar de eerste generatie verwachtend naar uitkeek, bleef uit. Wanneer de oerapostelen verdwijnen en andere leraars gezag opeisen, stelt zich de vraag naar de norm van het geloof. Christelijk leven was niet vanzelfsprekend, toen niet en ook nu niet.

Onder de christenen van de zogenaamde derde generatie was de moeheid voelbaar. De vroegere ijver is voorbij (Hebr. 10.32-36). De auteur van de brief moedigt hen aan trouw te blijven en de hoop niet op te geven. “Kom, blijf niet zitten. Blijf in beweging.” Hij herinnert hen aan de geloofsgetuigen en doet hen opkijken naar Jezus. “Richt uw aandacht op Jezus, de apostel en de hogepriester van het geloof dat wij belijden.” (Hebr. 3,1).

Het leven van Jezus is de grootste aansporing om trouw te zijn. Hij zelf was en blijft de Getrouwe. Hij is nu bij de Vader is. Zijn verheerlijking ging doorheen de school van het lijden (Hebr. 5,8). Er is geen enkel schrift in het Nieuwe Testament waarin de weg van lijden niet zou aangehaald worden. “Christus heeft voor ons geleden als een beeld van ons bestaan, dat wij zo ver zouden gaan, in zijn voetstappen te treden” (W. Barnhard, Z.J. 360).

De Hebreeënbrief is een stevig opgebouwd document. Toch komt hij als vreemd, speculatief over met veel verwijzingen naar het Oude Testament. De schrijver van de Hebreeënbrief is vertrouwd met het Eerste Testament, dat hij herleest vanuit het Christusgebeuren, vooral aan de hand van psalm 110.

In de brief krijgt Jezus veel titels. Hij is de Zoon, de erfgenaam, Gods evenbeeld, de eerstgeborene, hij is de hogepriester, broeder van de mensen (Hebr. 2, 17), hij is voorloper (Hebr. 6,20), hij is bemiddelaar (Hebr. 8,6; 9,15; 12,24), de herder van de schapen” (Hebr. 13,20). De meeste aandacht in de brief gaat na  ar het hemels hogepriesterschap van Jezus.

Jezus Christus is ‘aanvoerder en voltooier’. Hij is niet de leider van een leger en heeft geen legioenen. Hij is als vreemdeling in deze wereld gekomen en neemt ons mee op zijn weg van geloof en trouw. Hij leefde hier als mens en hij ademde vanuit Gods belofte. Hij gaat ons voor op de weg naar de hemelse heimat. Jezus staat aan het begin van onze geloofstocht en is er het einde van. Hij is ‘alfa en omega’, zoals het elk jaar op de paaskaars aangebracht wordt.

Christus geeft de aanzet, hij is de begeleider, hij zal voltooien en bekronen. Hij doet het niet in onze plaats, wij moeten ons op weg begeven. Wij zullen verwijderen wat verhindert hem te ontmoeten. Wij zullen de zonde vermijden en ze bekampen. Wij zondigen wanneer we ongerechtigheid begaan, weerstand plegen tegen God, onze medemens schaden, ons zelf vooropstellen ten koste van anderen. De zonde komt in een veelvuldige gestalte voor. “Rekening houdend met het feit dat onze zonden Christus zelf raken, aarzelt de kerk niet de christenen het meest verantwoordelijk te stellens voor het ter dood brengen van Jezus, een verantwoordelijkheid die zij maar al te vaak alleen op de joden afgeschoven hebben” (KKK, 598). De kerk zelf moet zich blijven bevragen of zij haar blik gericht houdt op Jezus en hem niet inpakt in systemen.

Bij de opening van het conclaaf van 2005 hield de decaan van het college van kardinalen een zeer opgemerkte homilie. Een belangrijke zin daaruit is zijn uitspraak over Christus als maatstaf. “Wij hebben een andere maatstaf: de Zoon van God, de waarachtige mens. Hij geeft de maat aan van het echte humanisme. ‘Een volwassen Geloof’ volgt de golven van de mode niet, noch die van de laatste nieuwtjes; een volwassen en rijp geloof is diep geworteld in de vriendschap met Christus. Wij moeten dit volwassen geloof voluit laten rijpen, en naar dit geloof moeten wij Gods kudde leiden. En het is dit geloof - het Geloof alleen - dat de eenheid tot stand brengt, en dat in de naastenliefde wordt waargemaakt. In de mate waarin wij tot Christus naderen, vloeien ook in ons leven waarheid en naastenliefde samen." De homileet bij het begin van dit conclaaf werd tot paus gekozen en verliet het conclaaf als Benedictus XVI.

De schrijver van de Hebreeënbrief roept zijn lezers op zich te herpakken. Waag je aan een nieuwe start. Einen neuen Aufbruch wagen, dat was het thema van de Duitse Katholikentag in Mannheim 2012. Een nieuwe instap voor christenen, die ontgoocheld zijn om veranderingen in het kerkelijk landschap, die bezorgd zijn over het arm getuigenis van christenen in de wereld. In zijn boodschap tot de deelnemers van deze ontmoeting zei de paus dat een nieuwe start inhoudt dat we het oude achter ons laten en ons op het nieuwe richten. “De gemeenschap van de kerk is op geheimenisvolle wijze volgens de apostel Paulus het lichaam van de kerk. Christus is het hoofd, wij zijn de ledematen. Wij mogen de kerk niet in haar hoofd manipuleren, maar wij zijn zelf geroepen ons steeds opnieuw als ledematen naar het Hoofd te richten, naar de ‘de aanvoerder en voltooier van ons geloof’ (Hebr. 12,2). Vernieuwing draagt slechts vrucht als zij gebeurt vanuit het echte Nieuwe van Christus, die de weg, de waarheid en het leven is (Joh 14,6)” (videoboodschap 16 mei 2012).

Christus wist bij zijn toehoorders het geloof te wekken en te waarderen. Hij kon bemoedigen en uitdagen. Hij sprak van het vuur dat hij op aarde was komen brengen (Lc. 12,49).

 Mensen met een groot geloof en mensen met een klein geloof, wij horen allen bij de estafettelopers. Wij mogen bijgevolg aansluiten bij de grote menigte van getuigen, van vroeger en van nu. Een schakel in de groep die na ons verder optrekt en blijft vertrouwen in Christus, de aanvoerder en de voltooier.

 Zeg niet “Het zal onze tijd wel duren.” Vertrouw erop dat wij in de ons gegunde tijd de vriendschap van Christus elke dag mogen ontvangen en dat wij door hem liefde, vreugde, vrede en gerechtigheid met anderen mogen delen.

 Vertrouw erop dat wij niet alleen zijn. Moge God het werk dat hij in elke mens begonnen is tot voltooiing brengen.