Hier ben ik, zend mij! (Is. 6,8)

De psalmist maakt er zich gemakkelijk van af als het over mensen gaat die beweren dat God niet bestaat. Hij noemt ze dwazen (ps. 14,1). Een overdreven uitspraak. Het is niet uit domheid dat mensen beweren dat God niet bestaat. Enkelen onder hen roepen daarvoor de wetenschap in, al staan geloof en wetenschap niet met elkaar in tegenspraak. Er zijn zij die Gods bestaan loochen omwille van het vele onrecht en het grote lijden. Ze kunnen dit moeilijk met God verzoenen. Wij doen God onrecht aan als we Hem gebruiken als een middel om onze wereld te verklaren.

Een angstvallige priester had moeite met dit vers “Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God” (ps.53,1). Wanneer hij het tegen kwam bij het bidden van zijn brevier, zei hij onmiddellijk: “God bestaat, God bestaat, God bestaat!”

De bijbel houdt zich nauwelijks bezig met de vraag naar het bestaan van God. God lijkt een evidentie. Van in hun verre oorsprong hebben de voorouders van de Israëlieten goden vereerd. Een legende vertelt over de godsbeelden in de winkel van de vader van Abraham. Abraham ging de werkplaats van zijn vader Terach binnen en sloeg met een hamer alle afgodsbeelden aan stukken met uitzondering van één van deze beelden. Hij stopte de hamer in de hand van dit ene afgodsbeeld. Toen Terach de werkplaats binnenstapte vroeg hij aan Abraham wat er gebeurd was. Abraham antwoordde: "De afgodsbeelden hadden ruzie met elkaar en alleen deze heeft het overleefd." Waarop Terach antwoordde: "Kraam geen onzin uit, die beelden kunnen niet bewegen. Het zijn slechts objecten van hout en steen." Abraham zou daarop geantwoord hebben: "Waarom aanbid je hen dan?"

Met Abraham is in Israël het geloof binnengetreden van een God, die zich met een mens en een volk verbindt. Doorheen gans het oude testament is dit geloof een constante. De Israëlieten hadden geen gebrek aan geloof, maar wel aan trouw. Regelmatig kwam de bekoring op en is eraan toegegeven vreemde goden achterna te lopen. En dan komt telkens het appèl naar de ene God terug te keren, Hem te eren en te dienen. De profeten en na hen Jezus stoten op de hardnekkigheid en de verstoktheid van het hart.

Het eerste geloofspunt voor een Israëliet is niet de belijdenis in een God schepper, maar in God die de rondzwerver Arameeër heeft opgemerkt en hem begeleidt. “Hij heeft ons uit Egypte geleid” (Deut. 26,8).

God is niet te grijpen. Niemand heeft God ooit gezien. Toch gaan enkelen heel vertrouwd met Hem om. God komt bij Abraham op bezoek en Abraham kan met Hem onderhandelen. Mozes heeft een Godservaring in de woestijn en op de Sinaï. Hij mag Gods rugzijde zien.

Jesaja behoort tot de begenadigde die een Godservaring hadden. Wat is er gebeurd? Hij bevindt zich in de tempel, waarin als het ware het hemels hof naar hem toekomt. God is een soevereine Heer. Hij is een koning en troont verheven met een sleep, die het al bedekt. Hij is langer dan de cappa magna van een kardinaal.  Serafs, wondere wezens, die een Egyptische verwantschap verraden, omringen de troon en bezingen Gods heiligheid, die met zijn heerlijkheid hemel en aarde vult. Gods heerlijkheid reikt verder dan de tempel. De aarde, het universum zijn er van vervuld.

Het lijkt op het dreunen op de Sinaï bij de storm. Als een wolk onttrekt de rook God aan het zicht. Gods heerlijkheid toont zich in het vuur, in het licht (Ex. 24,15-16; Ez. 1,28). Komt God naar Jesaja toe of is het Jesaja die naar hem opgetrokken wordt?

De heiligheid wijst op het anders zijn van God. Jesaja reageert met ontzag en huiver. Hij voelt zich verpletterd en alvast onwaardig. Gods heiligheid roept in de bijbel schroom op. Zo voelt zich Petrus wanneer hij staat voor Jezus en voor de grote menigte vissen, die de leerlingen op Jezus’ woord mochten vangen. Niet alleen de grootheid van iemand, maar ook diens goedheid kan overweldigen. Wie ben ik dat ik dat heb verdiend? Wat overkomt mij? Gaan we nu niet te familiair met God om? Wie een priesterwijding of een professie van een kloosterling bijwoonde, herinnert zich dat de wijdeling of de geprofeste plat ter aarde neerlag. God houdt nochtans de mens niet klein. Hij geeft ons het vertrouwen. Hij heft de afstand op. Hij richt de mens op en nodigt hem uit.

Het zegt iets over het moedig karakter van Jesaja dat hij die taak aanneemt. Ze is niet gemakkelijk. Ze speelt zich af in een moeilijke periode. Uzzia (+740) was een succesrijk koning van Juda. Maar het land wacht moeilijke tijden. De grootmacht Assyrië bedreigt de koninkrijken Juda en Israël. Zij willen samen met Egypte een anti-Assyrische coalitie oprichten. Het volk loopt niet over van trouw en de profeet zal sociale mistoestanden moeten hekelen. Jesaja is niet de profeet van het platteland. Hij richt zich vooral tot de geloofsgenoten in de stad. Gereinigd schrikt de profeet niet voor de zending. Paulus zal hem later nazeggen: Ik weet in wie ik mijn vertrouwen heb gegeven. Scio cui credidi (1 Tim. 1,12). Wie zal ik zenden? De vraag is aan ons gericht. Elly en Rikkert Zuiderveld vertaalden ze naar ons toe in hun lied Zend Mij: 

Sliep ik of waakte ik, het leek een droom
ik zag de Koning op een hoge troon
En ik beefde op de drempel
Engelen vlogen door Zijn tempel
Af en aan
ik zei: verlos mij, ik zal ondergaan
Met een gloeiende kool raakte Hij mijn lippen aan
En zo sprak Hij mij vrij
En ik hoorde hoe Hij zei
Wie zal gaan
Wie zal Ik zenden, wie zal voor Ons gaan
Wie zal Ik zenden, wie zal voor Ons gaanDaar is een kind dat om zijn moeder schreit
Daar is een oude man die honger lijdt
En een dronkaard op de straat
Een heel volk dat ondergaat
Zonder Mij
Miljoenen mensen kennen heg noch steg
Dwalen als schapen op hun eigen weg
Door die woorden zag ik pas
Dat Gods hart gebroken was
En ik zei
Hier ben ik Here, zend mij
Hier ben ik Here, zend mijHij zei: ga heen, genees de zieken die er zijn
Maak alle volken tot discipelen van Mij
En ik merkte toen Hij sprak
Hoe mijn hart met 't zijne brak
En ik zei
Hier ben ik here, zend mij
Hier ben ik Here, zend mij
Hinnèni Adonai

Staat op: Zend mij