Misericordias Domini in aeternum cantabo

Op dit feest van Christus Koning 2016 eindigt het bijzonder jaar van de barmhartigheid, dat paus Franciscus zo nauw aan het hart ligt. Maar aan de opdracht om barmhartig te zijn zoals de Vader komt nooit een einde. Tot in eeuwigheid mogen, wij Gods barmhartigheid bezingen, die gaat van generatie tot generatie (Lc. 1,50).

Een koning op het kruis

Wij kijken op deze feestdag samen met de evangelist Lucas naar de zonderlinge troon, die op Goede Vrijdag voor Jezus werd opgesteld Lc. 23,35-43). Het evangelie van deze dag komt immers uit het passieverhaal van Lucas. Het geeft een Goede Vrijdagstemming aan het feest van Christus Koning. Nadat Jezus verraden werd door een vriend, gevangen genomen op de Olijfberg, opgepakt als een rover, in de nacht bespot en geslagen door soldaten werd hij voor de rechtbank van het sanhedrin gebracht. Hij werd daarna bij Pilatus beschuldigd van oproer. Wanneer deze hem vraagt of hij koning is, antwoordt Jezus heel rustig: “Gij zegt het.” Pilatus stuurt Jezus naar koning Herodes, die hem bespot en Jezus belachelijk maakt. Onder druk van de menigte bezwijkt Pilatus en laat hij de doodstraf toe. Jezus wordt dan weggevoerd met het marteltuig op de rug en wordt op de Schedelplaats aan het kruis geslagen. Hoe groot en hoe zwaar is op deze weg het fysische en psychische leed dat Jezus moet dragen. Jezus hangt aan de kruisbalk, hij draagt een kroon van doornen. Alles is hem afgenomen. Jezus stelt op die Goede Vrijdag zijn laatste daad van barmhartigheid. Een wonderlijke koning, die vanop een kruis regeert.

Jezus had niemand kwaad gedaan. Hij had wel zijn bijzondere band met God beklemtoond en had een beeld verkondigd van God, die zich ontfermt en vergeving schenkt (Lc. 6,36). Was het daarom dat hij tegenstanders had? Die hadden zich vroeger al geërgerd aan zijn contact met zondaars en tollenaars (Lc. 15,1-2).

Bespot en uitgelachen

Jezus wordt in zijn laatste uren niet alleen gefolterd en vermoord. Hij wordt bespot en uitgelachen. Op Calvarie wordt hem toegeroepen dat hij zichzelf moet redden en zijn macht ter wille van zichzelf moet aanwenden. Anderen heeft hij gered, laat hij zichzelf redden. Tot drie maal toe wordt dit gezegd: door de leiders, door de soldaten, door een van de medegekruisigden. Het klinkt zo onbarmhartig en heel cynisch, want ze erkennen dat hij goed heeft gedaan en spotten er nu mee.

In die laatste uren heeft Jezus wellicht gedacht aan de psalmen waar vromen gebeden hebben om redding uit de hand van hun onbarmhartige omgeving. “Doe goed opdat je kwaad zou geschieden”, zei een man vanuit ontgoocheling. Heeft Jezus hetzelfde gedacht? Zijn liefde en barmhartigheid blijven sterk.

Het is alsof de bekoorder uit de woestijn terug voor hem staat en hem oproept zijn kracht en gezag te gebruiken voor eigen doel en om op te vallen door spectaculaire daden (Lc. 4,1-13). Moet hij een Tarzan zijn die de ketens verbreekt en een Samson die de zuilen van de tempel omverwerpt? Red je zelf, jij de uitverkorene, de Messias, de koning, jij, de zoon van God.

Jezus geeft niet toe aan de bekoring om zijn macht te misbruiken voor zichzelf. Hij wil tot het einde toe in de logica blijven van de liefde. Jezus antwoordt met stilte en gebruikt zijn macht niet om zichzelf te redden.

Met Mij in het paradijs

De evangelisten tonen hoe de stervende Jezus op anderen gericht blijft en hoe groot zijn barmhartigheid is. Hij is een man zonder haat en wrok. Hij schenkt vergiffenis.

Dan heeft hij een bevrijdend woord voor de berouwvolle boosdoener. Hij die zelf stervend is, denkt aan anderen. Hij aanhoort de bede van een ander stervende man, van iemand die zijn kwaad erkent maar hoopt op Gods barmhartigheid. Zijn laatste woord is er een van liefde. Jezus is niet gericht op zichzelf maar op de anderen.

Een oudt liedeken, een gedichtje van Victor de la Montagne (1854-1915) en geschreven in een oud Nederlandse taal kan hier aangehaald worden;

Tsag eens een knabe stervensgeern een valse, wrede, bose deern. Sei totten knabe:"Hael mi terstont din moeders herte veur minen hont." Hij ging en sloech sin moeder dood en vluchtte mettet herte root. Met wijl hi loopt, stuyckt oppen steen en valt,- dat erme hert meteen. Al botsend op de harde baen, ving plots dat hert te spreken aen: "Och, jonghe, hebs di seer gedaen?"

De zorg om stervende mensen is van een bijzondere aard. Het is een dienst aan medemensen die het hier niet kunnen teruggeven. Het is formidabel zo wij iemand kunnen helpen om klaar te komen met de laatste levensvragen. Is er redding, zal ik gered worden, is er hoop voor mij? Wat gezegd is in het zicht van de dood en op een sterfbed, laat een diepe indruk na.

Jezus is een aparte koning tot in zijn sterven toe. Hij onthult nog eens op het kruis de gezindheid van de harten, zoals de bejaarde Simeon had voorspeld. “Dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden” (Lc. 2,34-35). De ene misdadiger verhardt, de andere ontdooit en spreekt vanuit zijn hart én wordt verhoord. Het is nooit te laat zich te wenden tot Gods barmhartigheid.

Jezus zelf vertrouwt zich toe aan zijn Vader. “In uw handen beveel ik mijn geest.” Bij het sterven van Jezus zegt een honderdman; “Deze was waarlijk een rechtvaardige” (Lc 23, 47). En in het volk dat had staan kijken, kwam een kentering en zij sloegen zich op de borst. Het was een bede om ontferming.

Een koning van barmhartigheid

Jezus heeft de lichamelijke werken van barmhartigheid geprezen en ze zelf toegepast. In dit voorbije jaar zijn deze werken vaak vernoemd en geactualiseerd. Het zijn deze zeven: de hongerigen spijzen, de dorstigen laven, de naakten kleden, de vreemdelingen herbergen, de zieken verzorgen, de gevangenen bezoeken en de doden begraven.

We hebben bij een kerkbezoek met meer aandacht gekeken naar schilderijen en glasramen, waar deze werken zijn uitgebeeld en naar de suggesties om ze te actualiseren. Wij hebben geluisterd en gelezen hoe wij nu en de volgende jaren daarmee verder kunnen.

In zijn rede over de komst van de Mensenzoon heeft Jezus zes werken geprezen uit een reeks van zeven. Over het zevende werk ‘de doden begraven’ heeft hij niets gezegd, tenzij eens die raadselachtige uitspraak: “Laat de doden de doden begraven” (Lc. 9,60). Wanneer hij gestorven is, zorgt Jozef van Arimatea dat Jezus van het kruis wordt afgenomen en in een nieuw graf wordt gelegd. Kunstenaars maakten mooie beelden van dit tafereel. Enkele van de kerken, waar vandaag de heilige poort wordt gesloten, bezitten mooie monumenten van de graflegging (Soignies, Walcourt, Brussel, Luik).

Tijdens zijn leven heeft Jezus andere vormen van barmhartigheid beoefend en geprezen. Naast de lijst van de lichamelijke werken is er deze van de geestelijke werken: de bedroefden troosten, de onwetenden onderrichten, de zondaars vermanen, goede raad geven, lastige mensen geduldig verdragen, aangedane beledigingen vergeven, bidden voor levenden en doden.

Op zijn kruis blijft Jezus met deze opdracht uit zijn leven begaan. Hij kan het zware leed hem aangedaan vergeven, hij is begaan met de stervende man en kan hem verzekeren van het schoonste en het beste dat er is: “samen aankomen bij de Vader.”

Wij danken op het einde van dit jubeljaar voor al het schone dat is gebeurd tijdens dit jaar van de barmhartigheid. Wij blijven hopen op het erbarmen van hem die is de Rex misericordiae, de koning van de barmhartigheid. Salve rex Christe o fons misericordiae. Wij mogen de deuren van ons hart en ons huist niet sluiten, wanneer hij komt en aanklopt (Ap. 3,20).