28e zondag door het jaar C - 2022

Zusters en broeders,

Zowel in de eerste lezing als in het evangelie staat een vreemdeling centraal. In de eerste lezing komt de opperbevelhebber van het Syrische leger naar de profeet Elisa om van zijn melaatsheid genezen te worden. Hij is dus geen Israëliet, en hij aanbidt ook niet de God van de Israëlieten, maar toch zoekt hij hulp bij een Israëlische profeet. En wanneer hij geneest, kent zijn dankbaarheid geen grenzen. Hij neemt zelfs een vracht aarde uit Israël mee waarop hij een altaar zal bouwen, want hij wil alleen nog de God van Israël aanbidden. In het evangelie geneest Jezus tien melaatsen, maar alleen een Samaritaan, dus opnieuw een vreemdeling, verheerlijkt God om Hem te danken. ‘Uw geloof heeft u gered’, zegt Jezus, en dat geldt ook voor de Syrische generaal, want ook hij geloofde dat de God van Israël hem kon genezen.

We kunnen veel leren uit de beide verhalen. Vooreerst kunnen we ons spiegelen aan het geloof van die vreemdelingen. De Syriër doet wat de profeet hem gezegd heeft: hij dompelt zich zevenmaal onder in de Jordaan, en wat hij niet verwachtte, gebeurt: hij is genezen.  ‘Nu weet ik dat er in Israël een God is, en nergens anders op aarde’, zegt hij. De Samaritaan werpt zich voor Jezus neer om God te verheerlijken en te danken. Is ons geloof ook zo sterk, en zijn wij even dankbaar als die twee mannen? Maar de verhalen leren ons meer dan dankbaarheid. Ze tonen ook aan dat God er is voor alle volkeren. Want alle mensen zijn zijn kinderen, en Hij houdt even veel van het ene als van het andere kind. En daarbij moeten we ons zeker afvragen of wij aanvaarden dat vreemdelingen en vreemden, net als wij, kinderen van God zijn. Zien wij dus ook in hen onze broers en zussen?

Hebben wij zo’n sterk geloof? Vorige week vroegen de apostelen aan Jezus: ‘Geef ons meer geloof.’ Vragen wij ook een geloof dat bergen verzet? Een geloof dat ons boven de twijfels uittilt? Twijfel wanneer we, zoals die vreemdelingen, met ziekte geconfronteerd worden bij onszelf, onze huisgenoten, onze familie. Ziekte waarvoor we bidden om genezing die er dikwijls niet komt. Blijft ons geloof dan even sterk, of zijn we zo ontgoocheld dat we kwaad zijn op God omdat Hij schijnbaar niet naar ons wil luisteren?

Maar ons geloof wordt niet alleen door ziekte en tegenslag op de proef gesteld. Misschien voelen we ons bijna verlaten omdat we met zo weinig in de kerk zijn. Misschien voelen we ons daardoor zelfs onzeker. Waarom zijn we met zo weinig? Waarom laat God zich niet echt zien, zodat we niet meer moeten twijfelen?

Het zijn vragen waarop geen antwoorden zijn. Geloof is immers geen wedstrijd die je kan winnen of verliezen. Geloof is een gave van God die met de heilige Geest in ons hart werkt. Maar we moeten willen openstaan voor die gave, en net zoals die melaatsen vragen: ‘Jezus, Meester, ontferm U over ons.’

Zusters en broeders, velen onder ons zijn oud genoeg om de ellende van de oorlog veertig-vijfenveertig meegemaakt te heen, of in elk geval de ellende van de naoorlogse jaren van onzekerheid, onveiligheid, trage wederopbouw enzovoort. En allen zijn we jong genoeg om te weten dat we ook nu in een onzekere tijd leven. Een tijd zonder houvast, zonder veiligheid, schijnbaar zelfs zonder hoop op beterschap. Het zou dus goed zijn als ook wij, net als die melaatsen, Jezus om ontferming zouden vragen. En het zou nog beter zijn als ons geloof even sterk zou als dat van die vreemdelingen: een geloof dat bergen verzet. Alleen zo’n sterk geloof kan ons gelijk welke pijn en gelijk welke onzekerheid doen overwinnen. Laten we de Heer dus bidden om zo’n geloof. Een geloof dat ons geneest van onze ziektes van egoïsme, ontrouw, twijfel, onzekerheid. Een geloof dat bergen verzet. Bergen van goedheid, van liefde, van vrede, van dankbaarheid, van vreugde. Amen.