24e zondag door het jaar C - 2007

Zusters en broeders,

De parabel van de verloren zoon is een van de best gekende, en ook een van de meest geciteerde uit de hele Bijbel. En terecht: het verhaal dat Jezus erin vertelt, blijft letterlijk aan de ribben plakken. De jongste zoon van een welstellende landbouwer eist zijn deel van de erfenis en trekt eropuit. In een ver land verkwist hij die erfenis in een losbandig leven. Op het moment dat zijn geld op is, breekt er een hevige hongersnood uit, en vanuit de honger die aan hem knaagt, groeit het besef dat hij verkeerd gehandeld heeft. Dus gaat hij terug naar huis. Zijn vader ziet hem van in de verte aankomen, wordt door medelijden bewogen en loopt naar hem toe, en nog vóór de zoon ook maar heeft kunnen zeggen hoezeer het hem spijt, valt hij hem al om de hals en kust hij hem hartelijk. Daarop volgt een groot feest, omdat die zoon die verloren was, opnieuw is opgedoken.

Zusters en broeders, aan dat prachtige verhaal is maar één ding fout, en dat is de titel. Wij spreken altijd van de parabel van de verloren zoon, maar het gaat natuurlijk om de parabel van de barmhartige vader. De nadruk ligt niet op de zoon, wel op de vader, en van die vader wordt de ongelooflijke vergevensgezindheid in de verf gezet. Ik vermoed dat velen in die vader God willen zien, Hij die als een Vader en Moeder over ons waakt, en die altijd bereid is ons met zijn liefde en zijn barmhartigheid te omringen. Meer dan dat, Hij bouwt een feestje als we op onze stappen willen terugkeren. Dat doen ook de herder die een verloren schaap, en de vrouw die een verloren zilverstuk terugvinden: een feestje bouwen.

Zusters en broeders, zo is God dus: altijd klaar om te vergeven en een feestje te bouwen wanneer iemand de rechte weg terugvindt. Maar neem nu dat die zoon in het verhaal echt uit de bocht was gegaan, zou zijn vader dan ook zo vergevensgezind en zo enthousiast gereageerd hebben? Ik bedoel het volgende: die jonge kerel - ik schat hem zo een jaar of twintig - is bijzonder lichtzinnig en dom geweest, maar behalve zichzelf heeft hij niemand kwaad gedaan. Dat kun je afleiden uit zijn houding wanneer hij krom staat van de honger. hij hoedt de varkens op het veld en had maar al te graag meegegeten van de schillen die zij eten, maar niemand geeft ze hem - zo staat het letterlijk in de tekst. Met andere woorden, hij denkt er niet aan iets te nemen wat niet van hem is, ook al sterft hij bijna van de honger en ook al gaat het maar om wat schillen. Voor hetzelfde geld had hij helemaal anders kunnen reageren. Hij had kunnen stelen, overvallen kunnen plegen of zelfs mensen kunnen vermoorden om zich meester te maken van hun bezit. Maar hij doet het niet. Maar stel eens dat hij het wél had gedaan: zou zijn vader dan ook zo vergevensgezind en enthousiast hebben gereageerd? Ik weet het, het is een theoretische vraag, maar het antwoord erop is belangrijk.

En dat antwoord vinden we bij Jezus, Hij die is Gods Zoon en onze broeder. Hij geeft het ons op het kruis, wanneer alles verloren lijkt en Hij door iedereen verlaten een vreselijke en ook vernederende dood ondergaat. Hij, de Zoon van God. Zijn tegenstanders bespotten Hem op een cynische manier, en dat doet ook een van de misdadigers die samen met Hem gekruisigd werden. "Zie Hem daar hangen, de uitverkorene van God", spotten de eersten, en de misdadiger voegt eraan toe: "Als Gij toch de Messias zijt, red dan uzelf en ook ons." Maar de andere misdadiger beveelt hem te zwijgen: "Wij worden terecht gestraft, wij krijgen niets meer dan wat we verdiend hebben", zegt hij, "maar die man hier heeft niets misdaan." En daarna zegt hij: "Jezus, denk aan mij wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt." We kennen allen het antwoord van Jezus: "Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs." En zo weten we hoe de barmhartige vader in het verhaal zou gereageerd hebben wanneer de verloren zoon zwaar over de schreef was gegaan: hij zou hem net zo goed vergeven hebben en hij zou net zo goed een feestje hebben gebouwd als hij het nu heeft gedaan.

Zusters en broeders, zo is God: altijd en in alle omstandigheden bereid om ons in de armen te sluiten en een feestje te bouwen als we op onze stappen willen terugkeren. Wat we ook hebben uitgespookt, we moeten er geen moment aan twijfelen dat God ons zal vergeven als we zeggen: 'God, Vader en Moeder, vergeef Mij. Ik heb mij misdragen tegenover U en tegenover uw mensen, maar het spijt mij.' Er is geen twijfel mogelijk: Hij zal ons vergeven en Hij zal ons nieuwe kansen geven, zonder strafblad of zonder elektronische enkelband. Ik weet het, als mens kunnen we daar niet bij. Als we eerlijk zijn, zullen we toegeven dat we in de parabel onszelf herkennen in de oudere broer. Die is helemaal niet opgezet met de handelwijze van de vader. Ik denk dat we allemaal zouden reageren zoals hij. Maar Jezus houdt ons voor dat dit niet de juiste manier is, en Hij houdt ons ook voor dat God anders is, dat God een loopje neemt met onze menselijke beperkingen en grenzen. God is helemaal anders dan wij, en Hij pakt het ook helemaal anders aan. 'Maar zo is God nu eenmaal,' zegt Jezus telkens opnieuw, 'want God is liefde, niets anders. En liefde houdt barmhartigheid en vergeving in.'

Zusters en broeders, Gods liefde en barmhartigheid kennen geen grenzen. Die van Jezus ook niet. Laten we daar geen moment aan twijfelen, en laten we proberen even liefdevol en even barmhartig te zijn als Zij. Amen.