Die man ontvangt zondaars en eet met hen (Lc. 15,1)

Vriend en vijand stellen vast dat Jezus contact heeft met slecht volk.  Lucas begint ermee zijn befaamde vijftiende hoofdstuk.  Voordien had Lucas al herhaaldelijk aangegeven dat Jezus zorg had voor mensen aan de rand en mensen met slechte faam (Lc. 5,27-32; Lc. 7,34; Lc.7,48).

De tegenstanders van Jezus morren daarover.  Jezus was op de hoogte van dit gemor en antwoordt met drie gelijkenissen.  Deze vormen een climax, die zich ondermeer toont in de getallen.  De waarde van het verloren neemt toe doorheen de drie gelijkenissen.  In de eerste gaat het over één schaap van honderd schapen, dat verloren is gelopen.  In de tweede gelijkenis heeft de vrouw één drachme verloren van de tien die ze bezat.  In de derde gelijkenis verlaat een van de twee zonden het huis van de vader.  Het gaat in de gelijkenis over dingen, over dieren en over mensen.  De gelijkenissen hebben elk een andere situatie voor ogen.  In de twee eerste kunnen we gemakkelijk inkomen.  Wat je kwijt ben, wil je terug.  Je gaat op zoek.  Dit is een risico, want terwijl je aan het zoeken bent, kan je het overige verliezen.

In de derde parabel is het ingewikkelder.  Daar is de zoon van huis weggegaan.  Aan dit weggaan kunnen veel discussies aan vooraf gegaan zijn.  Een zoon, een dochter gaan het huis uit.  De ouders zijn ermee begaan.  In de gelijkenis, de Jezus vertelt, staat de vader op de uitkijk.  Hoe wist hij dat de zoon zou terugkeren? 

De terugkeer de zoon ontstaat vanuit een nood.  Het ging hem slecht, ver van huis.  Hij kreeg honger.  Hij keert terug en bereidt zijn acte van berouw voor.  De vader heeft op de zoon gewacht, verlangend uitgekeken naar zijn terugkeer.  Hij houdt geen sermoen, maar ontvangt hem met grote vreugde.  Hij richt een feest in.  De oudere broer reageert daarop woedend.  Hij heeft zijn vader altijd trouw gediend.  In naam van de moraal weigert hij om mee te feesten. “De enige echte morele figuur in het verhaal is de broer van de verloren zoon.  En Jezus maakt het duidelijk: die broer is naast de zaak.  Jammer genoeg is onze spontane reactie in het leven dikwijls als die van de woedende broer.  Niet in het minst bij sterk geëngageerde groepen vind je nogal eens de houding van de broer van de verloren zoon” (Stefan Vanistendael, De achterkant van alledag.  Een zoektocht naar God en geloof, p. 62).

Met dit verhaal van de verloren zoon maakt Jezus duidelijk “dat een moraal die we als een mechaniekje willen toepassen een barrière kan vormen tussen ons en het leven” (S. Vanistendael, op. cit. p. 62-63).

Het doet de vader pijn dat de oudste zoon niet in zijn perspectief van vergeving kan intreden en dat hij niet samen met hem de barmhartig wil zijn.  Het doet hem pijn dat zijn zoon niet meer de broer wil zijn van de jongste zoon.  Kan je zoon zijn zonder broer te willen zijn ?  Je broer niet aanvaarden, een drama van bij het begin van de bijbel (Gen. 4,8-9).  Je broer niet erkennen en hem bestrijden, dit veroorzaakt zo veel verdeeldheid en ellende op de wereld.  Tijdens de lente 2012 hielden hedendaagse Libanese kunstenaars en designers een tentoonstelling in villa Empain/Brussel.  Met Art is the answer drukten ze uit dat zij na de burgeroorlog droomden van een nieuw Libanon.  Een van hen, Ayman Baalbaki beweert: « Ce qui définit l’histoire de cette région, c’est la mise à mort du frère, non le meurtre du père. »

Zijn we zelf bereid vergeving te schenken?  Of zijn we de zelfvoldane oudste zoon, die uit koppigheid zelf niet binnengaat en de hand niet reikt.

“Als de vader in het verhaal God is, en als wij in het leven handelen als de twee broers, nu eens als de oudste zoon, dan weer als de jongste zoon, dan zegt het verhaal heel vele over Gods verhouding tot ons en het leven.  God is niet een soort almachtig opperhoofd dat ons leven van ons overneemt, zelfs niet uit naam van de moraal.  Maar God is een scheppende God,vol aandacht en zorg voor het leven, die ons vrijlaat en die van de minste goede wil aan onze kant zal proberen gebruik te maken om verder deuren te openen naar het leven toe.  Meestal kan dat gewoon langs de moraal gebeuren.  Maar we moeten wel goed het uiteindelijke doel voor ogen houden, het leven laten groeien.  En dat kan, zoals in het verhaal, omkeer en doorbraak vragen: een omkeer van de verloren zoon en een doorbraak van zijn broer.  De verloren zoon was tegen het leven ingegaan door de morele orde te overtreden, zijn broer was tegen het leven ingegaan door de morele orde als een middel van zelfbeveiliging en zelfrechtvaardiging te misbruiken.  Voor beiden wil de vader een deur naar nieuwe en verdere groei in het leven openzetten, en bij beiden respecteert de vader de keuze die ze maken” (St. Vanistendael, op. cit. p. 64-65).

Lucas bevraagt ons met deze drie gelijkenissen of wij zelf op zoek te gaan naar wie verloren is?  En of we bereid zijn vergeving te schenken?  Bij de verschrikkelijke dingen, waar we zo regelmatig over horen, is dit niet gemakkelijk.  Ja, het lijkt soms bovenmenselijk.  Vergiffenis betekent niet dat onrecht goed wordt gepraat en dat we de ogen sluiten voor het kwaad dat telkens de kop kan opsteken.  Il l’a fait et il le fera.  Deze harde uitspraak van een moralist maakt attent op de recidivisten.  En toch moeten we ons afvragen wat het leven is als er geen perspectief is op vergeving en het krijgen van nieuwe kansen. 

“Wat gebeurt er als de taal van de verzoening systematisch uit een cultuur wordt gebannen en als er nergens meer gehoord wordt: ‘Je bent vergeven’?  Een wereld zonder één woord van verzoening is een harde wereld: mensen staan allemaal onder het oordeel, overal, omgeven door angst en met een vreemd soort argwaan naar de ander toe.?  Iedereen beleeft de onmogelijkheid om zich aan wie dan ook toe te vertrouwen.  Je bent immers van tevoren al veroordeeld, doorschouwd, gewogen en te licht bevonden” (Standaert, Alfabet van een monnik, p. 239).  

Jezus kent de macht van het kwaad.  Hij heeft het zoals de profeten uit het Oude Testament aangeklaagd.  “Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val worden gebracht, alleen: wee degen die daarvoor verantwoordelijk is!” (Lc. 17,1).  Hij spreekt daarna over zondevergeving: “Indien je broeder of zuster zondigen, spreek hen dan ernstig toe; en als zij berouw hebben, vergeef hen” (Cl. 17,3).

Omdat Mieke Van Hecke, directeur-generaal van het Vlaams secretariaat van het Katholiek Onderwijs, had gepleit voor meer vergiffenis in de samenleving kreeg ze vorig jaar boze reacties.  Ze had gezegd: “De mildheid moet terugkeren in de samenleving.  Vergiffenis moet een plaats krijgen.”

Mensen mogen niet meer falen.  Een tweede kans krijgen ze niet.  Dit is een harde maatschappij als enkel repressie telt.  Ze sluit zich zo af voor de kracht van verzoening en vergeving.