24e zondag door het jaar (2004)

Wie wordt er nu getest en wie overtuigt wie? Het líjkt erop dat Mozes God overtuigt en dat God daarom afziet van een totale verwoesting. Waar doet deze eerste lezing aan denken? U hebt een kleine twee maanden geleden het verhaal kunnen horen van Abram, die staat af te dingen bij God: ‘Als er aan die vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken?' U kent het verhaal. Is God nu afhankelijk van ons gebed. Moeten we lobbyen bij God om Hem te overtuigen, te overreden? Of is het omgekeerd; stelt God Mozes op de proef en komt zo aan het licht of Mozes voor zijn volk wil opkomen?

‘Laat me begaan', zegt God, ‘dan zal Ik hen in mijn brandende toorn vernietigen. Maar van u zal Ik een groot volk maken'. Weet u nog hoe God Abraham op de proef stelde, door te vragen of hij zijn zoon wilde offeren. Een vreemde God toch!? Of is het andersom, is God niet zo vreemd, maar zijn wij wat vreemd? ‘Ga naar beneden, want het volk dat gij uit Egypte hebt geleid, is tot zonde vervallen.' Mozes krijgt bijna een verwijt alsof het zijn schuld is. ‘Het volk dat jij uit Egypte hebt geleid ...'. Is dat dan niet Gods volk, heeft Mozes dat niet in opdracht van God gedaan? Mozes wordt hier flink beproefd. Wat zijn de gevoelens van Mozes voor dit volk? Is Mozes een herder naar Gods hart? ‘Ik zal van jou een groot volk maken.' Het lijkt wel de bekoring in de woestijn. Het lijkt Satan wel die tegen Mozes zegt: ‘Laat dat volk maar zitten, ik maak van jou een groot volk. Jij zult stamvader zijn en beroemd worden bij alle geslachten.'

Mozes wordt beproefd en het volk wordt beproefd. Het volk heeft veertig dagen op Mozes moeten wachten en dat was te lang. Het volk heeft een tastbare god nodig, het mag niet te lang duren, dan verzinnen ze hun eigen oplossing. En ook Mozes wordt beproefd, geeft hij echt om dit volk? Is die tocht uit Egypte, met de tien plagen, de tocht door de zee en de overwinning op farao, is dat de bevalling geweest, de nieuwe geboorte en houdt Mozes nu van dit volk, is het behalve Gods volk ook zijn volk geworden?

Inderdaad: ‘Heer, waarom uw toorn laten woeden tegen het volk dat U met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid? Denk aan Abraham, Isaäk en Jakob. Denk eens wat uw tegenstanders zouden kunnen zeggen, dat u een onbetrouwbare God bent, die zijn eigen volk in de woestijn vernietigt'. Mozes spreekt zijn argumenten uit in zijn gebed en meer dan dat hij God moet overtuigen, overtuigt hij zichzelf. Meer dan God herinneren aan de liefde voor zijn volk, ontdekt hij zo dat hijzelf van dit volk is gaan houden. Mozes wordt hier herder voor Gods Volk, net als die herder waar Jezus over spreekt.

Waarom hebben die Farizeeën en Schriftgeleerden in het Evangelie zo'n moeite met Jezus, met het feit dat Jezus omgaat met tollenaars en zondaars, met mensen van allerlei slag, dat Jezus binnengaat in hun huizen en de maaltijd met hen gebruikt. Geldt voor Jezus dan niet ook het gezegde: ‘waar je mee omgaat, daar word je mee besmet?' Geeft Jezus zo niet het verkeerde voorbeeld? Ze hebben grote moeite met Jezus, omdat ze Hem niet kennen en dus niet begrijpen dat zijn goedheid groter is dan de zonde van de mensen, dat zijn liefde groter is dan het kwaad van de mensen en dat zijn vergevingsgezindheid het onrecht van de mensen ver overstijgt. De Schriftgeleerden en Farizeeën worden hier uitgenodigd ook zelf hun hart te laten verruimen, zij zien zondaars met een blik vol afgrijzen, ze lijken op God die tegen Mozes zegt: 'laat me gaan in mijn toorn, dan zal Ik ze vernietigen'. Zouden deze Schriftgeleerden en Farizeeën net als Mozes pleiten voor het volk, bidden voor tollenaars en zondaars, die afgodendienaars die een gouden beeld hadden gemaakt en eromheen dansten? Of willen ze het liefst vuur uit de hemel afroepen om hen te verdelgen?'

Herders naar Gods hart, herders naar het voorbeeld van Jezus. Bent u zo'n herder? Als u op een verjaardag bent, hoe praat u dan over Turken, Marokkanen, Polen, Surinamers, Antillianen en asielzoekers, over hindoes en moslims? Welke grove grappen gaan er over tafel? Lacht u mee? Of zegt u: ‘Ho maar!' Zien we onszelf als de betere mensen? Of dat niet, maar ze mogen wel ophoepelen? En die mensen waar je al jaren omheen loopt, waarvan je weet wat ze allemaal verkeerd hebben gedaan. Stel dat Jezus nu juist bij hen aan tafel gaat. Stel dat de pastoor juist bij hen een paar keer te gast is?

God beproeft ons, met de bedoeling dat wij ons hart, onze geest en onze blik verruimen, dat we mensen zien met Gods ogen. Dat we voor hen bidden, dat God hen niet vergeet en hen niet zal straffen. God nodigt ons uit om voorsprekers te zijn, bemiddelaars, pleitbezorgers en advocaten voor hen die van God afgedwaald zijn, overgeleverd aan de willekeur van de wereld, de willekeur van de modegrillen en de verlangens van het lichaam, als een schaap verstrikt in de distels, verdwaald en niet in staat nog los te komen.

En als je dan ontdekt dat je zelf van tijd tot tijd ook zo'n schaap bent, blij dat God zijn herder naar je toestuurt die jou weer op sleeptouw neemt, die je losmaakt uit je verkeerde bindingen en je terugbrengt bij anderen, die jou herstelt in je relatie met God. Wanneer je dat ervaart, dan kun je je beter verplaatsen in de schapen die nog vastzitten en die de hulp van een herder nodig hebben, misschien zonder het zelf te beseffen.

Dat geldt vandaag ook voor de zieken. Juist vandaag op ziekenzondag. Soms kom je bij zieken, die hun ziekte zo hebben verwerkt, dat ze voor anderen een herder zijn. Mensen zoals Liduina van Schiedam. Zieken die zich verbonden weten met Christus en het kruis uit liefde dragen. Zieken die hun opstandigheid hebben weten te overwinnen en voor de omgeving een goede herder zijn. Je komt ook bij zieken die zover nog niet zijn, die het God, anderen en zichzelf kwalijk nemen, die niet tot acceptatie en kruisdragen komen, die een last zijn voor de omgeving. Ook zij zijn als verloren schapen die een herder nodig hebben, zelfs als ze tegenspartelen en als het ware nog verder van de herder weglopen.

Maar is heel onze maatschappij niet gaandeweg als een kudde zonder herder geworden? Ieder heeft een eigen idee over God. Voor de een is God kosmische energie, voor de ander zijn eigen levenskracht, of hij of zij noemt zichzelf een stukje God, voor de volgende is God de grote afwezige, die niets doet aan het lijden in de wereld en tallozen zijn God praktisch vergeten. Dansen we wereldwijd niet om het gouden kalf van de economie, omdat we God nu eenmaal niet kunnen zien en Jezus maar niet terugkomt? Is onze maatschappij niet ziek, herderloos, verdwaald en vastgelopen? Laten we dan vragen dat de Goede Herder naar ons omziet en bidden dat God zich over ons ontfermt. Maar ik denk dat God nu, net als Mozes toen, ook ons beproeft en test, om te weten of wij wel goede herders zijn, die elkaar beminnen, opvangen en opbeuren. Of wij kinderen van God zijn en de zieken en afgedwaalden niet vergeten, dat wijzelf goede herders naar Gods hart zijn. Amen.