Tijd door het jaar (C)

Er is al eeuwenlang zoveel gezegd over het verloren schaap en over de verloren mens. Wij mogen ook eens stilstaan bij het verloren muntstuk. Het is ook niet niets zijn geld te verliezen. Als je ‘s avonds thuiskomt en je voelt aan je achterzak, dat je een welgevulde portefeuille, met geld en papieren kwijt bent... Er is meteen paniek. Waar ben ik laatst geweest? Telefoon. Niets. Of daar misschien? Telefoon. Niets. Morgen verder zoeken. Niet slapen natuurlijk. En morgenvroeg opnieuw hetzelfde nerveuze ritueel. Totdat eindelijk... Opluchting. Vreugde.

Dan pas voel je, dat deze parabel niet idyllisch is. Dat is een parabel trouwens nooit. Een mens kan niet leven zonder geld. Wij hebben zoveel nodig om te leven. Het geld is belangrijk. Dat weet je pas als je het kwijt bent. Dat weet de mens die er geen heeft.

Dat zegt ons iets over de mens. De mens is een materieel wezen. Hij is van de aarde en wat er op aarde is, werd voor ons gemaakt. En wij kunnen het niet missen. Wij kunnen de weelde missen, maar zoveel is levensnoodzakelijk: eten en een keuken om te koken, een bed en een plaats om te slapen, een tafel en ruimte voor de tafel. Kleren om te dragen dag en nacht, schoeisel voor zomer en winter. Och, zeer veel heeft een mens nodig, teveel om op te noemen. En het is ons allemaal te dierbaar. Wij weten dat allemaal. Het is normaal, dat we op zoek gaan als we het verliezen.

Maar misschien is dat nog te weinig gezegd. Het is ons allemaal gegeven met graagte, van harte. Het is niet zo vanzelfsprekend dat wij het hebben. Helemaal niet. Is het dan overbodig een pleidooi te houden voor eer-bied? Wat een prachtig woord! Eer bieden aan de dingen. Het is een liturgisch gebaar als we met verering het glas heffen, als we met eerbied het kleine schilderij bewaren, als we met eerbied aan alles een plaats geven als we met eerbied alles net houden. De dingen zijn te mooi om ze weg te gooien, om ze met slordigheid zomaar stuk te laten gaan. Wat voor grove, gulzige bezitters zijn we toch als we menen, dat alles in de prullenmand mag of dat alles zomaar mag vergaan op het kerkhof van onze containers. Zijn wij de dingen wel waard?

Bovendien, de voorwerpen, de vogels, de vissen, de dieren werden geschapen zoals wij. Wij hebben ze niet gemaakt Daarom zijn het onze partners in de schepping, onze broeders en zusters, zoals Frans van Assisi heeft gezongen. Tussen mij en het ding is er geen verhouding van ik en het maar van ik en gij! Dat is de grote eenvoudige liturgie van het leven. Het is toch iets anders de vele mooie en nuttige dingen vast te nemen met liefde dan ze te verslinden met onze harde vuisten. Het zegt me ook iets over wie God is. Zoals de vrouw naarstig de drachme zoekt, zo zoekt God de mens. Hij is Hem zoveel waard, dat Hij ook zal zoeken totdat Hij ons vindt.

Is dat geen mooie definitie van God? Hij is iemand die op zoek is naar ons totdat Hij ons vindt. En als Hij ons vindt, zal Hij ons eer bieden En ons rechtop doen staan. Hij zou een lied zingen en verheugd zijn om de mens die Hij vinden mocht.

Dat is Zijn groot geheim.