Tijd door het jaar (C)

Er klinkt een zeer milde toon door als Jezus vandaag de harde, discriminerende houding van de farizeeërs afwijst. Zij ergeren zich aan het feit dat Jezus eet met zondaars en tollenaars. Er is niets te bespeuren van agressiviteit in Jezus' reactie op de mentaliteit van de farizeeërs. Integendeel, met een heel groot geduld tracht Hij begrijpelijk te maken, dat zij blij zouden moeten zijn met de vreugde van deze mensen, die nu het gevoel hebben dat zij er weer bijhoren. Eerst voelden zij zich afgeschreven, door zichzelf of door anderen. Maar nu horen ze er blijkbaar weer bij. Jezus wil van het herenigingfeit een groot feest maken voor heel Israël, inclusief de farizeeërs. Maar helaas, de farizeeërs geven zich niet gewonnen. Integendeel, zij hebben de bokkenpruik op, en die willen ze ophouden. Zij willen die mensen niet accepteren. En daarom accepteren zij ook niet dat zij aanzitten aan de maaltijd van de Heer. Zij deugen niet, en wat je ook beweert: zij kunnen niet deugen.

Misschien herkennen wij iets van die mentaliteit. Want ook in onze kringen gebeuren die dingen vandaag. Hoeveel mensen worden niet kapot geroddeld. Door zulke roddelverhalen komen die mensen in een verkeerd daglicht te staan, en kunnen wij ook niet meer aannemen dat het eigenlijk heel vriendelijke mensen zijn, die veel goed doen.

Nemen wij Paulus. Hij heeft het bont gemaakt. Meer dan wie ook van ons. Dat is allemaal waar, en geen geroddel. Hij heeft de gemeente van Jezus vervolgd ten dode toe. Hij heeft christenen gevangen gezet. Hij heeft zijn medewerking gegeven aan de marteldood van Stefanus. Maar Jezus heeft hem niet afgeschreven. Jezus ziet nog een lichtpuntje in de diepe duisternis van zijn bestaan. Op zulke situaties haakt Jezus in. Zolang er leven is is er hoop. Jezus is zelfs in staat om zijn 99 trouwe schapen in de woestijn achter te laten om dit verloren schaap te zoeken totdat Hij het vindt. Maar als Jezus Paulus gevonden heeft wil dat nog niet zeggen, dat hij door anderen geaccepteerd is. In het begin van zijn bekering heeft Paulus de grootste moeite zichzelf staande te houden in de eerste gemeenschap van Jezus. Men wil er nog niet aan. Men vertrouwt hem niet. Integendeel: men wantrouwt hem. Wat hij ook zegt, wat hij ook doet: hij is niet goed, hij deugt niet, en hij kan niet deugen. Men ziet zelfs zijn preken over Jezus als een listige manier om binnen te dringen in de gemeente van Jezus en er zo achter te komen wie er allemaal lid van zijn. Hij is een gevaarlijk man, en daar houden velen het bij.

Vandaar dat Paulus in de brief, die hij schreef aan Timoteüs, zegt dat hij zo diep onder de indruk is gekomen van het vertrouwen dat Jezus hem heeft geschonken door hem in zijn dienst te nemen, hoewel hij voorheen een godslasteraar was, een vervolger, en iemand die geweld gebruikte. Paulus is daar diep van onder de indruk gekomen, want eigenlijk kan hij de houding van de eerste christenen best begrijpen.

Wat betekent dit voor ons? Het wantrouwen dat de eerste christenen in Paulus hadden, datzelfde soort wantrouwen kennen wij ook, al ligt het niet in de lijn van Jezus. Als wij door iemand heel erg teleurgesteld zijn dan is er wantrouwen in ons tegenover die persoon en tegenover alles wat hij verder nog doet. Het is misschien niet juist, maar waarschijnlijk zullen wij dit slechts heel moeilijk af kunnen leren. Maar misschien kunnen wij wel zo ver komen, dat we bepaalde gezegden niet meer gebruiken, zoals: die komt er bij mij nooit meer in, die heeft voor mij helemaal en voorgoed afgedaan. Misschien kunnen wij, vanuit de inspiratie die Jezus ons geeft, proberen om dat ‘nooit' nooit meer te gebruiken, en dat ‘helemaal en voorgoed' te veranderen in: voorlopig, en tot het tegendeel bewezen is. Dan zouden we al een heel eind op weg zijn.