24e zondag door het jaar C - 2004

Zusters en broeders,

De samenstellers van de liturgische jaarkalender hebben het de commentatoren en de makers van homilieën met hun tekstkeuze in cyclus C niet altijd gemakkelijk gemaakt. Zoals vandaag bijvoorbeeld:  de parabel van de verloren zoon hoorden we op de vierde zondag van de veertigdagentijd, en op het feest van het Heilig Hart lazen we dan weer de parabel van het verloren schaap. Vandaag horen we beide verhalen opnieuw, met de parabel van het verloren zilverstuk erbovenop.

Het lijkt me een uitgelezen gelegenheid om niet bij de verhalen zélf te blijven stilstaan, maar wel bij de gedachte die deze verhalen bindt, en die ze meteen ook verbindt met de eerste en de tweede lezing. Het is daarbij goed dat we vertrekken vanuit de situatie waarin Jezus de verhalen vertelt.

Zoals zo dikwijls bevindt Jezus zich in het gezelschap van zondaars en tollenaars, en van  mensen die in het evangelie gewoonlijk  blinden, kreupelen en melaatsen genoemd worden. Dit tot grote ergernis van de farizeeërs en de schriftgeleerden. Die vinden Jezus best wel een goede vent, met ook best wel leuke ideeën, maar tegen Hem spreekt dat Hij de verkeerde vrienden heeft: een hoop onrein volk dat zij links laten liggen. Het is een voortdurende bron van ergernis en van conflict tussen Jezus en de officiële godsdienstige leiders. De evangelies staan er bij manier van spreken bol van.

Vandaag is het niet anders. Opnieuw gaat Jezus volgens de godsdienstige leiders over de streep, voor de zoveelste keer al. Ze kunnen hun ergernis niet langer verbijten, en ze zeggen het Hem ook. Een zoveelste conflict over altijd hetzelfde is in de maak. En zoals altijd zet Jezus geen stap achteruit, integendeel, Hij gaat onmiddellijk naar de kern van de zaak, en die kern is dat God eindeloos barmhartig is. Hij brengt die boodschap in de vorm van drie verhalen. Natuurlijk had Hij net zo goed een van de vele verhalen uit het Oude Testament kunnen vertellen, verhalen zoals we er een hoorden in de eerste lezing, verhalen waaruit telkens opnieuw Gods barmhartigheid blijkt, verhalen die de farizeeërs en de schriftgeleerden blijkbaar niet kennen of niet willen kennen. Zo'n verhaal had Hij dus kunnen vertellen, maar Hij verkiest zijn eigen verhalen te vertellen, niet omdat ze zoveel beter zijn dan die van vroeger, wel omdat ze algemener zijn, niet gebonden aan een bepaalde situatie. Om een groot woord te gebruiken: ze zijn universeel. Je kunt ze in alle culturen en in alle talen vertellen, ze blijven altijd van toepassing, en ze blijven altijd actueel.

God is barmhartig, dat is de kern van elk van die verhalen, en die barmhartigheid is van die aard dat ze voor ons, mensen, dikwijls niet te begrijpen is. Vooreerst al door het gemis aan menselijke proporties. 99 schapen in de wildernis achterlaten om op zoek te gaan naar dat ene verdwaalde - of is het weggelopen? - schaap. Vrienden en buren bijeentrommelen om een banale geschiedenis als een teruggevonden zilverstuk, een zoon met de helft van de erfenis laten vertrekken, recht zijn ongeluk tegemoet, en hem nadien met vlag en wimpel terug binnenhalen, zonder zelfs maar om excuses te vragen, zonder zijn verleden op te rakelen, zonder iets als een garantie dat het niet opnieuw gebeurt. Eens te meer toont Jezus ons een God die met  onze menselijke gevoelens en beperkingen en grenzen een loopje neemt. God is helemaal anders dan wij, en Hij pakt het ook helemaal anders aan. 'Maar zo is God nu eenmaal', houdt Jezus ons telkens opnieuw voor. 'Welnu, zo wil Ik ook zijn, en wie mijn leerling wil zijn, moet ook zo zijn. Wees barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is.'

Zusters en broeders, dat kan  heel erg onmogelijk en heel erg utopisch en heel erg ondoenbaar lijken. We zijn immers maar mensen. Maar zoals altijd hebben de verhalen van Jezus ten minste twee kanten. En die tweede kant is dat we  zelf ook dat verloren of weggelopen schaap, dat verloren muntstuk en die nietsnut van een jongste zoon kunnen zijn. We kunnen dat allemaal zijn, we kunnen alles omverblazen, alles onderuithalen, alles neerhalen, maar wat we ook presteren en proberen,  één iets blijft onaantastbaar en onuitroeibaar, en dat is de genade van God. De genade waar ook Paulus  het over heeft in de tweede lezing. Hij, de godslasteraar, de vervolger, de geweldenaar, heeft toch het vertrouwen van God gekregen, en in overvloed werd hij deelachtig aan Gods grote genade.

Zusters en broeders, ik heb zo het gevoel dat we dit evangelie een beetje als een aanvulling mogen beschouwen op het evangelie van vorige week. Daar stelde Jezus keiharde eisen aan hen die zijn volgeling willen worden of zijn. Het was alles of niets. Vandaag wordt het beeld aangevuld en wordt de eis minder ondoenbaar, en wel omdat achter onze onvolmaaktheid een  God staat, een volmaakte Vader en Moeder, die altijd opnieuw wil beginnen, en die ons nooit laat vallen, wat we ook uitspoken.

Ik vind dat een zeer troostende, en ook een zeer sterkende gedachte. Amen.