Advent (C)

TOT ALLES BEREID

De mensen verwachten het einde van de wereld. Massaal komen ze op Jan de Doper af. Jan is een opvallende figuur. Hij heeft zich verkleed in de legendarische profeet Elia; hij draagt een kameelharen mantel en voedt zich met sprinkhanen. Aan de rand van de woestijn doopt hij iedereen die zich - voordat de bom barst -, tot God wil bekeren. Jan spreekt de taal van het volk. Hij spreekt niet in diplomatieke volzinnen zoals de hogepriesters doen in de tempel of de politieke leiders van het land. Zij sparen de kool en de geit - de bevolking en de bezetter! Maar de Doper is integer; hij verrijkt zichzelf niet aan zijn populariteit. De mensen komen naar Johannes met een vraag: ‘Wat moeten we doen om de dans te ontspringen?’ De meesten van hen hadden wel eens misgekleund, wel eens de kantjes er vanaf gelopen, wel eens de buurman om zijn vrouw of kudde benijd, wel eens zijn vader veracht en de dag des Heren ontheiligd. ‘Wat moeten we doen Jan, om het goed te maken?’ Oog in oog met het einde, wordt een mens eerlijk. Hij heeft er alles voor over om met het leven in het reine te komen. Je kunt in je leven wel tien keer tevergeefs geprobeerd hebben om van het roken af te komen, maar als de dokter eenmaal een vonnis heeft uitgesproken, lijkt alles mogelijk! Je stop dezelfde dag nog met roken en drinken. Je belooft royaler te worden voor kinderen die opgroeien met honger. Je bent tot alles bereid. ‘Zeg het maar Jan, wat moeten we doen?’

JE PLICHT DOEN

Het antwoord van de Doper is opvallend eenvoudig. Je hoeft geen bijdrage aan de tempel te schenken. Je hoeft geen fonds op te richten voor zieke Palestijnse kinderen. Je hoeft de Romeinen niet te verwensen en ook geen bedevaart te houden naar de Sinaï. ‘Wat je moet doen, is dit: Wanneer je teveel eten hebt, gooi het niet weg, maar geef ervan aan wie honger heeft. En als je meer kleren hebt dan je dragen kunt, geef iets aan wie niets heeft.’ Tegen de belasting-inners zegt de Doper: ‘Foetel niet, verrijk je niet, pleeg geen fraude.’ Tegen de soldaten zegt hij: ‘Maak geen misbruik van je macht. Doe je plicht en je hart zal zien hoe God in de wereld verschijnt.’

EN NU!

Afgelopen week heb ik met deze stem van Johannes in het hoofd, geluisterd naar wat u te vertellen had. Ik hoorde een vader klagen over de taalverruwing op het voetbalveld. Natuurlijk zit je zoontje vol adrenaline in het vuur van de strijd, maar dan wil je als ouder toch juist, dat hij zich leert beheersen. Je verwacht niet dat de coach voorgaat in schelden en bestuursleden in vloeken; en zeker zit je niet te wachten op de strijdkreten van sommige vaders en moeders langs de lijn. Je verwacht, juist hier, een sportief ideaal te vinden van eerbied voor de spelkameraden. In de wachtkamer van het ziekenhuis hoorde ik een vrouw luid oreren over geneesheren. ‘Die graaien alleen maar en vullen hun zakken!’ Ze knikte heftig. Ze had in de krant gelezen over corrupte bestuurders, over foute declaraties en gouden handdrukken voor directeuren wier arbeiders massaal op straat kwamen te staan. Ook ingeblikte mensen die met 100 km per uur over de wegen razen, brengen weinig respect op voor anderen. Iedere centimeter en seconde telt, en elke ander is een potentiele vijand. En ik geloof niet dat dit een kwaal van onze tijd is. Toen ik geboren werd in 1943 was de wereld nog veel misdadiger en in de tijd van Jan de Doper konden de Romeinen overheersers er ook wat van! Jan zoekt geen heiligen. Jan zoekt geen helden. Jan zoekt mensen die hun plicht doen en iets voor een ander over hebben. Dat is genoeg om God te ontmoeten. En het is hard nodig!

GEWOON SNUFFELEN!

Lieve kinderen. ‘Nu ga maar eens rustig zitten, schat, dan krijg je je koffie en... een dikke bonbon’, zei mamma. ‘Waar heb ik dat aan te danken?’, vroeg pappa verbaasd. ‘Gewoon, omdat je voor ons gewerkt hebt’, zei mamma. Marieke keek naar de bonbon. Ze wilde al op haar pruilerigs zeggen: ‘En ik dan?’, maar dat was niet meer nodig. ‘Hier’, zei mamma en ze haalde een dropveter uit de kast. ‘Omdat je naar school bent geweest! Pappa en Marieke keken elkaar aan. ‘Wat was er met mamma aan de hand?’ Marieke rende naar buiten en plukte een tak uit de eerst de beste struik en gaf die triomfantelijk aan mamma. ‘Die is voor jou, omdat je mamma bent.’ Mamma lachte en zette de tak in een vaas. Voor het naar bed gaan sloop Marieke nog even naar Jakob. Jakob was het konijn. Die woonde buiten in een hok onder het keukenraam. Ze gaf hem wat weegbree en zei: ‘Kijk niet zo verwonderd Jakob. Die heb je verdiend met je gesnuffel! En zo werd de wereld vanaf die dag een beetje mooier.... omdat iedereen deed wat-ie moest doen!