1e zondag van de advent C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Ons hart en onze ziel, ons verstand, heel ons gemoed, staan open, jaar op jaar, om de zin zelf van ons bestaan. Gods aanwezigheid in ons leven te zien, te begrijpen, te beleven, lief te hebben, ontroerd te beluisteren, in overvloed te kennen.

'Steeds weer zoeken mijn ogen naar U!', zingt de advent. Ons hart moge leven van wat onze lippen en onze adem belijden. Onze oren mogen leven van de woorden van liefde, die de Schriften in dit nieuwe jaar gaan ontvouwen. Heel ons lichaam moge vurig verlangen naar de omhelzingen van de geest. 'Zorgt ervoor dat u niet versuft raakt door de roes van dronkenschap en door de zorgen van het leven', schrijft Lucas. Onze geest moge ons lichaam bereid vinden tot heilige en onsterfelijke liefde.

Het is advent. Een nieuw jaar begint. God steekt een nieuwe parel aan het snoer van zijn jaren van schepping en verlossing. Marcus heeft ons toegesproken in het jaar dat voorbij is. Een andere evangelist staat op. Lucas treedt naar voor om op vele wijzen en in vele beelden te spreken over het grote geheim, waarvan wij reeds begonnen zijn te leven.

Het is advent. 'Blijf te allen tijde waakzaam en bid', horen we. Zo wordt de liefde waarop we hopen een 'klare melodie', de liefde waaraan we werken een barmhartige beslissing om in vrede te leven en vergiffenis te schenken, de liefde die we krijgen een kracht om de fouten zelfs te vergeten, die van anderen en waarachtig ook de onze. Waakzaamheid en gebed zijn daartoe geëigende middelen. Ze halen ons uit het moeras van de onvoltooide gevoelens, van het onduidelijke leven en plaatsen ons op de vaste bodem van heldere liefde. 'Zon, maan en sterren', 'de hemelse machten', mogen 'wankelen', ook in het jaar dat nu begint, de wereld mag instorten rondom ons, de wereld in ons zal niet instorten. Het is de wereld van wie waakt en bidt.

Het is de wereld van 'de Mensenzoon', van de advent, de 'adventus', de komst, van Hem die echt mens is, liefdevol en barmhartig, zoals wij allen zouden willen zijn, van de Mensenzoon die komt 'op een wolk', groot, machtig en heerlijk, zoals alleen God is. Zijn macht en zijn heerlijkheid, zijn liefde en zijn barmhartigheid zelf. Lucas zal ons die uitvoerig ontvouwen, het hele jaar door. Hij zal ons van Gods menselijkheid spreken, vanaf de ontroering van de boodschap in Nazaret en van de geboorte in Betlehem tot aan de vergiffenis aan de goede moordenaar en de belofte van het paradijs aan allen, die wakend en biddend Gods liefde niet uit het oog verliezen of er na veel omwegen naar terugkeren.

Het is advent. 'Moge de Heer uw liefde voor elkaar en voor allen steeds groter maken', schrijft Paulus aan de christenen van Tessalonica. 'Laat Hij uw hart sterken, zodat u onberispelijk en heilig bent bij de komst van onze Heer Jezus'. Een sterk hart wenst ons Lucas, om vergiffenis te vragen en om vergiffenis te geven. Om uit vreemde landen naar huis te keren en om met wie terugkeert feest te vieren, om blij te zijn voor elke teruggevonden drachme en vrolijk te zijn om elk teruggebracht schaap.

Het is in een sterk hart dat hoop en liefde samengaan. Het is het sterke hart van de komende Messias, dat 'het land rechtvaardig en eerlijk bestuurt', dat Jahwe echt leert kennen, onze God, 'onze gerechtigheid', onze barmhartigheid, onze liefde, onze vrede, de vrede van allen die Hij liefheeft.