1e zondag van de advent (2006)

Inleiding

Advent betekent 'komst', en wel plechtige komst, zoals van een vorst bij zijn troonsaanvaarding, zoals de Nederlandse steden bijvoorbeeld hun nieuwe vorst, Karel V, een Blijde Inkomste hebben bereid. Het kerkelijk jaar eindigt met het perspectief van Jezus' tweede en laatste komst, zijn Blijde Inkomste bij zijn door grote nood aangegrepen volk. Maar het kerkelijk jaar begint er ook mee. Het hele mensengeslacht staat een ramp te wachten, een wereldramp. Maar de gelovigen zien deze wereldramp met intense hoop tegemoet, omdat Jezus hun en ons heeft gezegd:""wanneer de mensen het zullen besterven van schrik ... heft dan uw hoofden omhoog, want uw redding is nabij." Maar Jezus heeft niet zo lang willen of kunnen wachten. Verlangend om Zich zo met ons te verenigen, komt Hij nu al persoonlijk bij zijn volk onder de tekenen van brood en wijn. In het geheim, in het sacrament is Hij er al. We mogen ons gelukkig prijzen nu wij het zijn, met wie de Heer Zich nu al wil verenigen.

Homilie

De wereld komt aan zijn einde! Dat was oud nieuws, dat besef zit ergens heel diep in het aanvoelen van de mensheid. Het is een oerintuïtie. Daar is geen evangelie voor nodig. Daar hebben wij ook het licht van de wetenschap niet voor nodig, bijvoorbeeld van de geleerden van 'de club van Rome', wetenschappen die ieder vanuit de eigen specialisatie tot de conclusie kwamen dat de mensheid afstevent op een milieuramp van mondiale afmetingen. Ook de cineasten hoeven er niet aan te pas te komen met hun films op breeddoek waarop zij de rampscenario's van de apokalyps voor ogen brengen. Merkwaardigerwijze zien de mensen van onze tijd dit soort films graag. In hun bestaan van angst- en horrorervaringen ondervinden zij wat zij op het witte doek voor zich zien als net echt en dus niet echt, dus als een opluchting. Door de film te zien, krijgen zij het effect van een nachtmerrie waaruit ze wakker worden met de geruststellende gedachte: het was maar een droom. Het is maar een film.

Nee, niet het feit van het wereldeinde is voorwerp van de kerkelijke verkondiging en nog minder de aankleding of het scenario van dit einde, of het er nu zus of zo zal toegaan: nachtzwarte duisternis, geweld van water of van vuur, alles wat de Schrift daarover zegt is, juist zoals met het begin van de schepping, aankleding van een fundamenteel feit: Het scheppingsverhaal brengt in de taal van oud-Oosterse beelden het feit van de schepping als een vrije daad van God uit zuivere liefde. Wat de Schrift zegt over het einde is eveneens te beschouwen als de literaire aankleding van een openbaringsgegeven:: de wereld die wij zien gaat voorbij.

Zoals het is met het individuele bestaan van de mens in de tijd: het is tijdelijk, voorbijgaand, zo is het ook met het gezamenlijke bestaan en met het milieu van de mens: het gaat voorbij. Maar deze feiten worden vermeld omwille van iets groters en hoopvollers: de laatste, alomvattende crisis is ook voorbijgaand. God zal het te boven komen en de gelovigen, zijn leerlingen, zullen dat aan den lijve ondervinden. God groeit in ons tegen de verdrukking in, tegen de moeilijkheden in. God neemt de beproevingen niet van ons weg, maar Hij werkt in ons als een kracht waardoor wij ze aan kunnen. Zo kunnen wij de kracht van God afmeten aan de beproevingen die wij door Hem aan kunnen. Het zijn de beproevingen in ons samenleven die ons openbaren hoeveel wij van elkaar houden. Misschien staan wij er soms versteld van, dat wij tot zoveel liefde in staat zijn. Als we er middenin zitten, zien we er geen gat in. Maar als het voorbij is, zeggen we soms: hoe erg het ook was, we hadden het toch niet willen missen. We zijn erdoor gegroeid, in de diepte naar Hem toe, en naar elkaar.

Zo kan een gelovige de afbraak van de Kerk toch gelovig doormaken en temidden van een zo diepgaande en alles doordringende ontkerstening hoeft hij zijn geloof niet te verliezen, ja hij kan zelfs in geloofssterkte groeien. Want hoe harder de grond en hoe strenger de nachtvorst, hoe dichter het onkruid, des te krachtiger moet wel het zaad zijn dat hiertegen bestand is. Hoe zwaarder de tijden, hoe beproefder het leven en hoe meer ontkerstend onze omgeving, des te meer kan Gods kracht in ons openbaar worden.

Paulus vond in zijn beproevingen en zorgen zelfs een reden om zich te beroemen. Hij ging er groot op wat hij allemaal heeft moeten doorstaan. Hij laat zich erop voorstaan, meer nog dan op zijn gebedsgenaden: "weggerukt naar het paradijs mocht hij onzegbare woorden horen die geen mens mag uitspreken, buitengewone openbaringen" (2 Kor 12,1-4). Dat was hem allemaal niet zoveel waard als de beproevingen waardoor zijn zwakheid aan het licht kwam, waardoor hij op zichzelf werd teruggeworpen en hij zijn grenzen is gaan ervaren. Als Paulus in zijn grote nood God smeekt verlost te mogen worden van de meest vernederende van die zwakheden, die "doorn in zijn vlees, als een bode van de satan die hem moest afranselen" (2 Kor 12,7), hoorde hij: "Je hebt genoeg aan mijn genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen" (2 Kor 12,8-9).

Paulus trekt daaruit de volgende conclusie: "Daarom lijd ik om Christus' wil gaarne zwakheid, smaad, nood, vervolging en benauwdheid. Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij zal wonen" (2 Kor 12,9-10). Die kracht van Christus wordt juist het meeste voelbaar wanneer hij zijn menselijke zwakheid het sterkste ervaart: "Want als ik zwak ben, dan ben ik sterk" (2 Kor 12,10). Dit betekent: als Paulus in de dienst aan God zwak geworden is door de ervaring van zijn grenzen, dan ervaart hij de sterkte van Jezus' kracht. Dat is de kracht van de heilige Geest, de Geest van Jezus die dicht bij hem is, die in hem is, als een inwonende kracht.

Deze inwonende kracht komt het met meest naar boven in eindsituaties, in grenservaringen, in conflictsituaties zoals Jezus die in het evangelie vandaag beschrijft: "Het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis ... geen van uw tegenstanders zal uw spreken kunnen weerstaan of weerspreken, want ik zal u een taal geven en een wijsheid ... geen haar van uw hoofd zal verloren gaan ... door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen."
God heeft plannen van vrede, niet van onheil . Waar komt al dat onheil dan vandaan? Het onheil komt van de zonde. Het kwaad straft zichzelf. Maar God voert zijn oorspronkelijk plan van heil en vrede door, juist door het onheil heen.

Maar wat heeft dit evangelie te zeggen aan wie de ondergang van de wereld niet meemaken? Daarvoor is het nodig te weten, dat wij allen kleine wereldondergangen meemaken, gebeurtenissen waarbij wij het gevoel hebben, dat de grond onder onze voeten wegzakt, bijvoorbeeld wanneer wij een conflict te doorstaan hebben in onze eigen kleine omgeving, wanneer onze gezondheid het dreigt te begeven enzovoort, dan kan alles ineens verloren lijken; we hebben het gevoel dat ons leven op het spel staat. Of het kan gebeuren dat er zich in de samenleving spanningen voordoen waarbij je de adem inhoudt: kunnen wij dit nog wel overleven? Dit soort wederwaardigheden stelt ons geloof op de proef en kan ons geloof in het licht stellen. Zij openbaren ook de kracht van God die ons doet standhouden.

Laten we eens naar het verleden kijken, welke moeilijkheden wij allemaal al doorstaan hebben en laten wij dan Gods kracht aanbidden die ons deed standhouden. Zie naar de toekomst zonder u de moeilijkheden te ontveinzen en neem het Brood aan in het vertrouwen dat Hij u opnieuw zal doen standhouden in zijn kracht, zoals in het verleden. Dat is de kracht van het voedsel dat we nu tot ons mogen nemen, het voedsel van de zelfgave van Hem die Zichzelf gaf tot de dood toe, die door de dood is heengegaan met Gods kracht en nu ons tot voedsel van eeuwig leven mag zijn, een doodbestendig leven, een leven dat bestand is tegen de dood. In die God belijden wij ons geloof.