3e zondag van de veertigdagentijd B - 2021

Bovenal bemin één God. Zweer niet ijdel, vloek noch spot. Heilig steeds de dag des Heren …

Zusters en broeders, ik ben er zeker van dat je ze herkent: de eerste van de tien geboden. In de eerste lezing hoorden we waar ze vandaan komen: uit het boek Exodus, het tweede boek in het Oude Testament. God schreef die tien geboden op twee stenen platen en gaf ze op de berg Sinaï aan de profeet Mozes. En als we die geboden zo goed kennen, is het zeker goed dat we ons eens afvragen wat we ervan terechtbrengen.

Houden we inderdaad bovenal van God? Dus boven alles en boven iedereen? Komt God altijd op de eerste plaats in ons leven? Er zijn immers zoveel andere zogenaamde goden die we zeker ook vereren. Goden van succes, gezondheid, rijkdom, geluk en zoveel andere dingen waar we echt om geven. Houden wij ook van God als die dingen tegenvallen? Als we tegenslag hebben, ziek zijn door covid-19, of ongeneeslijk ziek zijn. Als we zelf, in ons gezin of in onze familie getroffen worden door een lichamelijke of geestelijke handicap of andere beperkingen. Als we geconfronteerd worden met de dood. Houden we in al die moeilijke omstandigheden ook bovenal van God, of geven we Hem de schuld van de miserie die ons treft, en zeggen we dat wij wel van Hem, maar Hij niet van ons houdt? Of vragen we ons misschien af hoe we kunnen geloven in, laat staan houden van een God die ons in de steek laat? 

Vervloeken we God in zulke omstandigheden misschien meer dan dat we van Hem houden? En zweren we soms niet heel overtuigd bij ons eigen kennen en kunnen, en bij onze eigen kwaliteiten die we vaak geweldig vinden, en beter dan die van anderen, zeker als die anderen mensen zijn van wie we niet echt houden. Zijn we misschien soms te ijdel om echt van God te kunnen houden?

En heiligen we altijd de dag des Heren? Misschien denken we: Dat gaat niet in deze coronatijden, er zijn niet eens misvieringen. Maar de dag des Heren heiligen is veel meer dan alleen maar naar de mis gaan. Dat is ook echt leven naar de woorden en daden van de Heer. Die kunnen we vinden in de Bijbel, maar ook in de mis die we elke zondag op de radio of tv kunnen volgen. De dag de Heren heiligen houdt ook in dat we bidden. Doen we dat, of is ons bidden een zachte dood gestorven, omdat er nog weinig gezamenlijk gebed bestaat, en de kerkklokken ons op bepaalde uren van de dag niet meer oproepen te bidden.

Er zijn zoveel vragen die we ons bij de tien geboden kunnen stellen, veel meer dan we nu gedaan hebben, want die vragen gingen slechts over de eerste drie geboden. Drie geboden die onze houding ten aanzien van God de Heer vastleggen, terwijl de zeven andere onze houding tegenover onze medemensen bepalen. De woedeuitval van Jezus in het evangelie slaat op die eerste geboden. Wat Hij ziet in de tempel gaat daar immers helemaal tegen in. Het huis van zijn Vader is immers geen markthal, en zijn Vader wordt niet aanbeden met het bloed van dieren, maar met liefde, vroomheid, verering. Tot die bekering roept Jezus op met zijn keiharde optreden.

En tot die bekering roept Hij ook ons op. Een bekering die helemaal aansluit bij wat zijn Vader in de Hemel in de eerste lezing zegt. ‘Ik ben de Heer uw God die u heb weggeleid uit de slavernij’, zegt Hij. De slavernij van de vele afgoden die we aanbidden: de afgoden van egoïsme, van onverschilligheid en van nog zoveel andere dingen die ons weghouden van de tien geboden van liefde en vrede die Jezus zo mooi heeft samengevat in dat ene gebod: Bemin God bovenal en bemin uw naaste zoals uzelf. Laten we daar echt bij stilstaan, en ons in alle eerlijkheid afvragen waar we tekortschieten, en in welke omstandigheden we veel meer van onszelf dan van God en onze naasten houden. Het zijn vragen waarop we in deze veertigdagentijd zeker een antwoord moeten vinden, zodat we in een oprecht geloof en in een oprecht streven naar leven volgens Jezus’ woorden en daden naar Pasen kunnen toeleven. Amen.