Aswoensdag 2020

Zusters en broeders,

‘Dit zegt de Heer: Keer tot Mij terug, van ganser harte.’ Zo begint de eerste lezing. En in het evangelie zegt Jezus: ‘Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen.’

Terugkeren tot God de Heer en vasten: dat is waartoe we elk jaar in de veertigdagentijd worden opgeroepen. Maar hoe doen we dat? Hoe kunnen we tot God terugkeren en hoe kunnen we vasten? Misschien klinkt het eigenaardig, maar het antwoord is: door meer en minder.

Meer, door onszelf in vraag te stellen. Niet met het doel onszelf in het licht te stellen, maar om stil te staan bij onszelf en onze manier van leven. Door ons af te vragen of we goed bezig zijn in ons doen en denken. Is ons denken gericht op het echte leven: hoe we leven, en of we dat kunnen verantwoorden voor onszelf, onze medemensen, de natuur, het milieu. Is ons spreken gezond, of gaat het om grote woorden zonder inhoud? Bidden we geregeld tot God onze Heer, of aanbidden we alleen onszelf, ons plezier, ons bezit, ons dit en ons dat?

Eigenlijk gaat het in zijn geheel om een eenvoudige vraag: gaan we in op de vraag of we meer aandacht hebben voor het goede dan voor het voordelige? Het goede in onszelf en in onze medemensen. En zetten we ons echt in voor dat goede? Werken we bijvoorbeeld echt mee aan Broederlijk Delen?

Meer, maar ook minder. Minder aandacht voor onszelf, voor ons eigen groot gelijk. Minder luxe, minder overvloed, minder dit en minder dat. Minder verslaving aan eten en drinken en aan zoveel andere dingen dat we niets anders meer kunnen en kennen. We kennen allemaal die alledaagse beelden: op de trein, in de bus, in de klas, op straat, aan tafel, zelfs tijdens het eten: geen woord met elkaar, geen aandacht voor elkaar. Alleen maar smartphone, alleen maar gamen, soms dag en nacht.

Zusters en broeders, laat de veertigdagentijd echt een tijd zijn van meer en minder. Meer bezinning, meer aandacht voor wat echt belangrijk is. En minder tijd voor zelfverheerlijking, voor verslaving, voor eigen groot gelijk. Minder ikke en de rest kan stikken, meer de ander, alle anderen. En natuurlijk meer God onze Heer, zodat we tot Hem kunnen terugkeren. Niet met sombere gezichten, maar van ganser harte. Dan wordt de veertigdagentijd een heerlijke groeitijd naar Pasen toe. Amen.