5e zondag in de paastijd (2005)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 306 niet laden

inleiding

“Waarop gaat dit alles in de wereld uitlopen? Het ziet er niet goed uit en het belooft niets goeds. Wààr gaan wij naar toe?” Je hoort het zo dikwijls zeggen en vragen bij de mensen. Op die wanhopige vragen reageert Jezus. Hij zegt: “Laat je niet overstuur brengen. Betrouw Mij en bouw op Mij; waar Ik ben, dààr zul jij ook zijn !”(Jn 14,3)

Mensen trekken zich daar aan op en geven het door aan anderen. Zo ging dat toentertijd ook al, lezen we in de Handelingen der Apostelen. Naarmate de gelovigen het evangelie beleven, trekken ze door hun getuigenis anderen aan. Zo breidde de jonge kerk zich uit.(Hnd 21,18) Jezus had al gewezen op het tekort aan werkers voor de grote oogst.(Mt 9,37) Als priesters en voorgangers konden de apostelen het alleen niet meer aan. Toen ook al! Ze kozen dus een groep diakens voor het dagelijks hulpbetoon.

Zo kwam men stilaan tot het besef dat alle gedoopten geroepen zijn om onder leiding van de ambtelijke kerkverantwoordelijken deel te nemen aan het “priesterschap” van Jezus. Daarom die uitspraak van Petrus om met z’n allen samen het heilig priesterschap te dragen (1Pe 2,5) in één priesterlijke kerkgemeenschap.

homilie

De taal die Johan­nes hanteert is voor ons vaak moei­lijk te begrijpen. Johan­nes hanteert een taal voor mensen van zijn tijd voor wie hij zijn evangelie schreef. En dat is maar goed ook. Jezus’ bood­schap mag niet verstar­ren in letter­lijke herha­lingen maar dient telkens weer met eigen stem te worden ver­tolkt. Dat maakt het er weliswaar niet gemakkelijker op. Daarom is het nodig heel goed te luisteren wat Johannes wil vertellen.

“In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen”, zegt hij.(Jn 14,2) De Kerk is geen gesloten club, die alleen toegankelijk is voor in­gewijden. Je zou dat haast gaan denken als je die rode heren deze week in de Sixtijnse kapel bijeen zag komen. Je moet daar zeker niet uit afleiden dat alleen dààr de heilige Geest zich wil manifesteren!… Jezus is het hoofd van de Kerk en dat moet ze afstralen!

Ook in de Handelingen der Apostelen lezen we dat de Kerk, de leefgemeenschap waarin Jezus verder leeft, moet lijken op haar stichter. Anders pleegt zij verraad. Maar daar lijkt het niet vaak op. Nu niet, maar toen ook al niet. In die eerste jaren was er nogal heel wat te doen over wie wel en wie geen gelijk had.

De eerste christenen die uit het Jodendom kwamen, mopperden. Ze voelden zich achtergesteld in hun Joodse afkomst bij de andere christenen die uit de niet-joodse wereld kwamen en veelal van Griekse komaf waren. Allemaal import vonden ze, allemaal allochtonen die als er gedeeld moet worden, altijd het meeste krijgen. Een refrein dat we vandaag ook nog horen. Onenigheid dus en om die op te lossen werden er diakens aangesteld.

De apostelen zouden het woord verkondigen, onderrichten en voorgaan in het gebed en de diakens zouden de meer materiële zaken regelen. Het waren geen predikan­ten, maar vooral doe­ners.

Al vanaf het begin zijn er in de Kerk taken verdeeld geworden, verschillende ambten zijn stilaan gegroeid volgens de noden van de Kerk. Ik vind het daarom nogal on­be­grij­pelijk dat de Vaticaanse hiërar­chie daar zo moeilijk over doet. Er moet wor­den geleerd, er moet wor­den gevierd en er moet worden gediend. Dat kan toch niet goed gedaan worden door één en dezelfde persoon?

Het traditio­neel pries­terbestand krimpt in het Westen zienderogen­, zoals trouwens de Kerken zelf. Op zich is dat niet nieuw. De eerste Kerk was ook maar een “kleine rest van Israël” (Bar 2,13), om het in Bijbelse termen te zeggen. Maar dat betekent wel dat de weinige priesters niet àlles kunnen doen: én leren, én vieren én ook nog sociaal dienstbetoon verzekeren.

Maar de drie taken - leren, vieren en dienen - daar gaat het om en die zijn hard nodig in de Kerk. En die mogen niet stiefmoederlijk bedeeld worden. Wij hebben onder ons vrouwen en mannen nodig die zich hiervoor klaar maken en die functies op zich willen nemen. Leren, vieren en dienen.

Eenzijdig­heden verschralen de Kerk. Als een kerk te véél leert, dan komt ze over als een zure en vervelende schoonmoeder die op alles haar zeg heeft. Als ze alléén maar oog heeft voor liturgie, dan zal ze vlug het verwijt krijgen dat ze wegvlucht en buiten de werkelijk­heid staat. En als ze alleen maar dient en sociaal bezig is, dan loopt ze het gevaar een oppervlak­kige actieveling te worden omdat de inspiratie zoek is en er zonder Geest dan geen Kerk meer is.

Bij deze driedelige taken horen terecht verschillende ambten en bedieningen. Laat de apostelen maar leraar zijn. De Kerk is trouwens, in navolging van de synagoge ook een “leerhuis” (bèth midrasj), dan hebben de diakens de tijd om te dienen. En als Filippus -- die een diaken was (Hnd 6,5) -- aan het preken slaat (Hnd 8,4-5) zullen we toehoorders vol bewondering naar hem luisteren. Als hij, Filippus dat doet dan doet hij dat waarschijnlijk om zelf niet als diaken te verzanden in de éénzijdigheid van het hulpbetoon. En wat mij betreft laat een leek, man of vrouw ook maar omgaan met het Woord Gods als hij of zij ons te vertellen heeft wat dat Woord voor hen betekent. We hoeven daarop niet op een benoeming van bovenaf te wachten. Filippus had die benoeming ook niet op zak!

In de toenmalige opvatting was Jezus geen "priester". Toch zien wij in Hem dé priesterlijke profeet, de God-gewijde die zich voor mensen beschikbaar maakte. Zoals Jezus dé “evangelist” was, dé verkondiger van Gods liefde, zijn wij nu vertolkers van zijn Evangelie en moeten wij elkaar bevrijden en verlossen. Wij eten vierend van zijn Brood, want de Kerk is ook een broodhuis (bèth lechem) waar wij Jezus nadoen die met opgestroopte mouwen Brood verdeelt aan de vijfdui­zend (Mt 14,15-21) en wij zorgen dat er genoeg over is voor hen die niet binnen kunnen, mogen of durven.

Volgens een oud gezegde moet elke christen een andere Christus zijn, een alter Christus. Lerend, vierend en dienend. Als de Kerk wil lijken op het huis van de Vader, waar Jezus het over heeft, dan moet er ook plaats zijn voor velen en dus blijven we vragen om ruimte voor diverse ambten en bediening­en, voor mannen én voor ­vrouwen, voor goeden en minder goeden. En dat veronderstelt van ieder van ons een ruimhartig vertrouwen van hoog tot laag, van links en rechts, van vooruit en achteruit.

Vooral nu in deze tijd nu de springvloed van ellende en boosheid zo openlijk geëtaleerd wordt hebben we die mensen nodig. Want Gods liefde gaat door mensenhanden. Alleen Kerken -- en ieder van ons, met z’n allen zijn wij dat! – alleen gelovigen dus, die alle pretenties op macht en privilegies laten varen en die niet op eigen aanzien uit zijn, maar mensen die leren, vieren en dienen, alleen zij zullen en kunnen die Boodschap van Jezus onder ons gaande houden. “Wie in Mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja grotere dan die zal hij doen, omdat Ik naar de Vader ga.”(Jn 14,12)

Zo helpe ons God!