20ste zondag dh jaar (2011)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 194 niet laden
OPENINGSWOORD
Broeders en zusters, welkom. Toen ik de preek voor vandaag voorbereidde moest ik denken aan een krantenartikel van enkele jaren geleden. Daarin werd herinnerd aan het feit, dat wij vroeger altijd spraken over ‘buitenlanders’. Dat woord kreeg op gegeven moment een negatieve klank, omdat ook een aantal van hen crimineel gedrag vertoonde. Daarom moesten wij hen voortaan ‘allochtonen’ noemen. Dan scheerde je hen niet allemaal over één kam. Weer later werd ons aangeraden om te spreken over ‘medelanders’.

In Jezus’ tijd waren er ook al mensen, die grote problemen hadden met vreemdelingen. In de eerste lezing spreekt God echter heel positief over vreemdelingen, die zich aan de regels houden. En in het evangelie geneest Jezus het dochtertje van - zeg maar - een allochtone vrouw, omdat zij zo’n groot geloof heeft. In een ander evangelie zegt Jezus van een allochtone Romeinse honderdman, dat niemand in Israël een zo groot geloof heeft als hij. En ook wanneer Jezus aan het kruis is gestorven is het een allochtoon, een Romeinse soldaat, die uitroept: “Waarlijk, deze mens was een Zoon van God” (Marcus 15,39).

Wij mogen God vandaag vragen om gezondheid en voorspoed. Vragen wij echter vooral om meer geloof onder alle mensen. Geloof maakt mensen één van hart en één van geest. En aan bijvoorbeeld Engeland kunnen wij zien, dat wij die innerlijke eenheid hard nodig hebben.

OPENINGSGEBED
Laat ons bidden. Heer God, Gij zijt een toevlucht voor wie zijn zwakheid kent, een kracht voor wie zich wendt tot U. Bevestig ons in het geloof: dat wij uw Naam verkondigen aan alle volkeren die Gij geroepen hebt. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon... . Amen. PREEK
Het evangelie vertelt, dat Jezus zich terugtrok naar het stedengebied van Tyrus en Sidon. Aan het einde van het vorige hoofdstuk 14 staat dat Hij bij het meer van Gennesaret verbleef. Jezus maakt dus een wandeling op z’n minst van Gennesaret naar Tyrus. Dat is zo’n 53 kilometer en dat door het gloeiend hete en stoffige land Israël. Wat hadden Jezus en zijn leerlingen onderweg veel tijd om te praten.

Als zij het gebied binnenkomen, komt er een vrouw op hen af. Het is geen Jodin, maar een Kananeese vrouw. Zij heeft een dochter, die van de duivel is bezeten.

De duivel was vroeger een goede engel, door God geschapen, maar hij is uit zichzelf slecht geworden. Johannes zegt, dat de duivel zondigt vanaf het begin (1 Joh. 3, 8) en dat hij een aartsleugenaar is (Joh. 8, 44). De duivel heeft de fout gemaakt, dat hij aan God gelijk wilde zijn en omdat hij God zo goed kende - hij was immers een geest, net als God, hij zag God zoals wij elkaar zien - daarom is zijn zonde niet meer goed te maken. Omdat wij nog wel in de hemel kunnen komen is hij jaloers en probeert ons over te halen het kwade te doen.

Sommige mensen zullen misschien denken, dat de duivel niet meer van deze tijd is. Nu, dan moet je maar eens op internet het woordje ‘satan’ intypen. Dan zie je dat dit woord 98.600.000 wordt genoemd. Het woord ‘demon’ 178.000.000 keer. Het woord ‘satanskerk’ 13.600 keer. ‘Duivelsaanbidding’ komt 2520 keer voor. De duivel is heel actueel. Eén van de grootste overwinningen van de satan is dat veel mensen niet meer in zijn bestaan geloven, want daardoor kan hij vrijelijk zijn gang gaan en hebben mensen niet in de gaten wat de diepste oorzaak is van het kwaad in de wereld.

Normaal gesproken kan de duivel ons alleen maar slechte ideeën ingeven. Het dochtertje van de vrouw in het evangelie was echter helemaal in de macht van de duivel. Er staat dat zij verschrikkelijk door de duivel werd gekweld. Bezetenheid door de duivel zou je kunnen vergelijken met ontvoerd worden door een zeer boosaardig iemand. Hij berooft je van je vrijheid en kwelt je geregeld.

Nu kunnen wij begrijpen, dat de moeder van het meisje wanhopig is en alleen nog van Jezus redding verwacht. Zij roept Hem aan met een koninklijke titel: “Zoon van David”. Zij weet wie Hij is, want de engel Gabriël zei tegen Maria, dat Jezus de troon van David zou krijgen. De buitenlandse vrouw heeft dus een groot geloof. Niet alleen in woorden, maar ook in daden.

Dat laatste is ook nodig, want Jezus’ tijd om er ook voor niet-Joden te zijn was eigenlijk nog niet aangebroken. Verschillende keren wijst Hij haar af. Eerst geeft Hij haar geen antwoord. Dan zegt Hij: “Ik ben alleen maar gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël”. Dan lijkt Hij zelfs bruut te zijn: “Het is niet goed het brood dat voor de kinderen is bestemd aan de honden te geven. De Joden zijn blijkbaar de kinderen, alle buitenlanders vergelijkt Hij met honden. Maar de vrouw is zo bezorgd voor haar lieve, kleine meisje, is zo overtuigd van de wondermacht van Jezus, dat zij volhoudt. Zij voelt zich niet beledigd, maar wijst op het feit, dat ook de honden van de kruimels eten, die bij hun meester van de tafel vallen.

Dan ziet Jezus haar groot geloof. Haar verlangen wordt vervuld. Haar dochtertje wordt bevrijd. Het is het grote geloof, beste medegelovigen, dat niet alleen bergen verzet, maar blijkbaar zelfs de plannen van God kan wijzigen. Toen Jezus in hoofdstuk 10 de apostelen eropuit stuurde, had Hij inderdaad gezegd, dat zij eerst naar de verloren schapen van het huis van Israël moesten gaan. Dat was ook logisch. Van alle volken was het Joodse volk Gods eigen volk, zeg maar ‘het eerste en oudste kind’. De ‘eerstgeborene’ was bij de Joden belangrijk. Bij Maria op de bruiloft van Kana gebeurde hetzelfde. Jezus zei tegen zijn moeder dat het nog geen tijd was om wonderen te doen. Maar het wonder gebeurde toch... omdat Maria geloofde!

Wij geloven dat Jezus de Zoon van God is en wonderen kan doen. Maar durven wij ook grote dingen te vragen!? De duivel heeft de mensen de afgelopen eeuwen ingefluisterd, dat wonderen niet bestaan. Wij moeten op wetenschap en techniek vertrouwen. Veel mensen zijn voor deze bekoring bezweken en vragen geen grote dingen meer. Als wij ècht geloven dat God mensen weer op het goede pad kan brengen, zouden wij dat dan niet iedere dag moeten vragen... met veel vuur en volharding!?

De Italiaanse dr. Ezio Saltamerenda was directeur van het Biotherapeutisch Instituut te Genua. Toen hij 14 jaar oud was, verklaarde hij tegenover zijn vrienden, dat hij God niet nodig had. Hij was leergierig, maar leefde alsof alles hem was toegestaan. Tijdens de oorlog moest hij zijn studie onderbreken, maar was niet bereid zich aan militaire tucht te onderwerpen. Uiteindelijk moest hij toch meedoen en raakte te Tobroek in Libië gewond. Hij werd afgevoerd naar Duitsland waar hij in een concentratiekamp terechtkwam. Daar werd hij nog sterker en trotser.

Hij trouwde, kreeg twee zonen en was er heilig van overtuigd, dat hij alleen zijn eigen lot bepaalde.

Maar dan gebeurt het! Op een dag woont hij een vergadering bij in het huis van Mario Cavaliere, een geestelijke zoon van de kapucijner pater Pio, de grote wonderdoener van Italië, die 50 jaar lang de stigmata droeg, de kruiswonden van Jezus Christus, onderzocht door de moderne medische wetenschap. Pater Pio is in 1968 gestorven, een heilige van deze tijd.

Dr. Ezio Saltamerenda raakte diep ontroerd door het zien van een foto van pater Pio. Mario Cavaliere bemerkte de verwarring en ontroering en gaf dr. Ezio een levensbeschrijving van pater Pio mee. Na twee dagen reisde dr. Ezio naar San Giovanni waar pater Pio in het klooster woonde. Na een hevige innerlijke strijd knielde hij bij de pater neer en mompelde een verzoek voor een ziek familielid. Pater Pio zou ervoor bidden, maar vroeg meteen of hij niet eens aan zijn eigen ziel moest denken, want hij was bezig zichzelf in het verderf te storten. En hij joeg hem weg, nadat hij met zijn gestigmatiseerde hand de mond van de dokter had aangeraakt. Die aanraking veroorzaakte bij de arts een diepe ontsteltenis. Diezelfde middag wilde hij pater Pio nog eens bezoeken en met hem redetwisten, maar opnieuw wees pater Pio hem af, zoals ook Jezus dat deed met de Kananeese vrouw in het evangelie, en de pater verklaarde dat de dokter vuil was, een stoer schip zonder stuurman. Pater Pio bleek hem van binnen en van buiten te kennen.

Hij doolde door de velden rondom het klooster, zijn eigenliefde bleef hem beheersen, maar ‘s avonds sprak hij zijn biecht bij pater Pio en huilde als een kind. Hij was een totaal ander mens geworden.

Luisteren wij naar de goede stem, die ons influistert: alles kan voor wie gelooft. Doen wij niet aan valse bescheidenheid. Vragen wij God grote dingen: dat de kerken weer vol mogen worden; dat er weer zo veel goede mensen mogen zijn, dat je bijvoorbeeld ‘s avonds weer veilig over straat kunt gaan.

Geloven wij, dat God ons en onze dierbaren zal geven wat goed voor ons is.